16 en 17 september 2014
Antwerpen, Wilrijk - Campus Drie Eiken
Wie ben ik voor u? Mensbeelden in de geestelijke gezondheidszorg

posters

Dinsdag 16 september 2014 14u00-15u30

P01

Netwerkpunt GGZ

Sofie Wybo, medewerker Netwerkpunt, het PAKT, Drongen

 

Het Netwerkpunt GGZ is een initiatief van het PAKT, een netwerk van zorgverleners en zorgverlenende voorzieningen werkzaam in de regio Gent – Eeklo met als doel de geestelijke gezondheidszorg in de regio te verbeteren.

Het Netwerkpunt GGZ is een infopunt voor hulp- en dienstverleners uit de regio Gent – Eeklo en kan gecontacteerd worden voor volgende vragen:

  • Informatie over het aanbod van de geestelijke gezondheidszorg in de regio: ondersteuning bij de zoektocht naar het gepaste zorgaanbod voor de cliënt.
  • Informatie over het aanbod rond herstel en sociale inclusie  in de regio: ondersteuning bij vragen rond het aanbod m.b.t. wonen, tewerkstelling, vrije tijd,…
  • Informatie rond expertise in de regio: afstemming bieden tussen vraag en aanbod rond vorming, advies, consult …
  • AZiS+: Assertieve Zorg in de samenleving: overlegtafel rond cliënten die uit de zorg dreigen te vallen en waarbij gewone procedures geen uitkomst bieden. Met verschillende partners wordt een zorgtraject uitgetekend.

 

P02

Effect van gratis nicotinesubstitutie op de motivatie tot rookstop

Ellen Excelmans, psycholoog, VRGT, Heist-op-den-Berg

 

Stoppen met roken is niet eenvoudig. Nicotinesubstitutie kan een rookstoppoging ondersteunen. De hoge kost van nicotinesubstitutie is echter een belangrijke rem op het effectief zetten van stappen in de richting van rookstop. In dit pilootproject werd het effect van het gratis bedelen van nicotinesubstitutie op de motivatie tot rookstop onderzocht bij patiënten met een psychiatrische aandoening.

 

P03

Naar een betere geestelijke gezondheidszorg: herstelgerichte zorg in verblijfsafdelingen

Eva Helmer, wetenschappelijk medewerker, LUCAS KU Leuven

Joke Vanderhaegen,

Chantal Van Audenhove, directeur, LUCAS KU Leuven

 

Introductie

De algemene trend van vermaatschappelijking van de zorg (‘balanced care’) vereist een meer herstelgerichte zorg. Hierin gaat expliciete aandacht uit naar zelfzorg, empowerment en volwaardig burgerschap van personen met een psychische kwetsbaarheid. Dit onderzoek gaat na in welke mate er aandacht is voor herstel in afdelingen voor langverblijvers.

Methode

Er werd een Recovery Oriented Practices Index (ROPI) afgenomen in acht verblijfsafdelingen voor langdurige behandeling in België. Een ROPI gaat na in welke mate een team herstelgerichte zorg aanbiedt. Dit gebeurt a.h.v. panels met cliënten en hulpverleners en via het inkijken van visiedocumenten en geanonimiseerde behandelplannen.

Resultaten

De basale zorg sluit over het algemeen goed aan bij de behoeftes van cliënten. Er is een breed aanbod van diensten in een individueel uitgestippeld zorgprogramma. Aandachtspunten bevinden zich op het vlak van participatiemogelijkheden, (rol)mogelijkheden en zelfbepaling van de cliënt, aandacht voor sociale contacten, deelname aan het maatschappelijk leven en focus op herstel en ervaringsdeskundigheid.

Conclusie

Verblijfsafdelingen dienen de meeste verbetering aan te brengen op het gebied van werken met ervaringsdeskundigen, ondersteunen van herstelwerkgroepen en aandacht voor een herstelvisie en –vormingen. Andere prioritaire aandachtspunten zijn het werken met een crisisplan en de focus op de verschillende sociale rollen van de cliënt.


P04

Inschatting van (para)suïcidaal gedrag:

objectieve versus subjectieve risicotaxatie en de impact van de beleving van de verpleegkundigen hiop

Tine Maes, hoofdverantwoordelijke, PZ Duffel

 

Doel

Het Vlaamse suïcidecijfer ligt anderhalve keer hoger dan het EU-gemiddelde. Dit onderzoek wenst een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de risicotaxatie van (para)suïcidaal gedrag. Er is een belangrijke rol weggelegd voor de geestelijke gezondheidszorg bij het inschatten van suïcidaal gedrag tijdens de opname. Het is van belang dat de verpleegkundigen in het eerste contact met een patiënt een inschatting maken van diens suïcidaal gedrag. Dit onderzoek gaat in op de inschatting van (para)suïcidaal gedrag door verpleegkundigen in een residentiële psychiatrische setting.

Methode

Het onderzoek richt zich op het verschil tussen de objectieve en subjectieve risicotaxatie van (para)suïcidaal gedrag door verpleegkundigen. Het verband met voorgaande ervaringen met suïcide en de copingstijl van de verpleegkundigen op het verschil in risicotaxatie werd nagegaan. Verpleegkundigen hebben een vragenlijst ingevuld over vorige ervaringen met suïcidaal gedrag, de copingstijl werd gemeten met Coping Inventory for Stressful Situations (CISS). De subjectieve inschatting van het suïcidaal gedrag gebeurde aan de hand van een vragenlijst. De objectieve inschatting met Nurses Global Assessment of Suicide Risk Scale (NGASR), Beck Depression Inventory-Second Edition (BDI-II) en Hamilton Depression Rating Scale (HDRS).

Resultaten

In dit onderzoek is er een significant (p=0.001) verschil gevonden tussen de subjectieve risicotaxatie van (para)suïcidaal gedrag door verpleegkundigen en de objectieve risicotaxatie. Afleiding zoeken als copingstijl heeft een significant (p=0.025) positief verband met het verschil in risicotaxatie van suïcidaal gedrag.

Conclusie

Er bestaat een significant verschil in de objectieve en de subjectieve inschatting van suïcidaal gedrag door verpleegkundigen.

 

P05

Patiëntbetrokkenheid, van therapie tot beleid

Katleen Hoing, stafmedewerker kwaliteit en studie, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

 

De geestelijke gezondheidszorg evolueert naar meer zorg op maat, patiëntbetrokkenheid en vraaggericht werken.

We schetsen een voorbeeld van hoe deze trend het beleid en de dagdagelijkse werking van een algemeen psychiatrisch ziekenhuis inspireert. We beschrijven een eigen onderzoek van het APZ Sint-Lucia en de implicaties/toekomstplannen die hieruit voortvloeien.

 

P06

Zelfhulpgroep Sexaholics Anonymous voor seksverslaving

ervaringsdeskundige, Sexaholics Anonymous, Erps-Kwerps

 

SA (Sexaholics Anonymous) is een zelfhulporganisatie voor mannen en vrouwen die lijden aan de ziekte van seksverslaving. SA werkt hiervoor op net dezelfde manier als de alom bekende AA (Anonieme Alcoholisten) met het twaalfstappenprogramma, sponsorschap, vergaderingen, een netwerk opbouwen, zich inzetten voor anderen, enz.

SA is géén therapeutisch programma, maar vele hulpverleners hebben ondervonden dat de zelfhulpgroep voor hun cliënten een onschatbare aanvulling vormt op hun therapeutische begeleiding en/of medische ondersteuning.

 

P07

De thuiszorg in Vlaanderen: evidence-based practice?

Monia Vereecken, doctoraatsstudent, LUCAS Leuven

Bea Maes

Anja Declercq

Chantal Van Audenhove, directeur, LUCAS KU Leuven

 

Inleiding

Er is een trend van vermaatschappelijking van zorg, o.a. in de geestelijke gezondheidszorg, de ouderenzorg en in de zorg voor personen met een verstandelijke beperking. In Vlaanderen zijn reeds een aantal initiatieven gestart die deze gemeenschapsgerichte zorg nastreven. Dit onderzoek evalueert in welke mate deze initiatieven evidence-based zijn.

Methode

Via een literatuurstudie werden tien sleutelelementen geselecteerd die kenmerkend zijn voor gemeenschapsgerichte zorg. Na oplijsting van deze sleutelelementen in een auditinstrument, werden 30 initiatieven uit de geestelijke gezondheidszorg, de ouderenzorg en uit de zorg voor personen met een verstandelijke beperking gescreend. Een audit bestaat uit een groepsinterview, een observatie van een teamoverleg en van een huisbezoek.

Resultaten

De betrokken Vlaamse initiatieven trachten met succes drop-outs te voorkomen, de cliënt te betrekken bij zijn behandelplan, oog te hebben voor de sociale omgeving van de cliënt, te waken over de therapietrouw (medicatie), en praktische en sociale vaardigheden te trainen. Werkpunten zijn het uitnodigen van de cliënt bij de bespreking van het behandelplan, het standaard aanbieden van een kopie van het behandelplan en de garantie van een continue bereikbaarheid.

Conclusie

De Vlaamse initiatieven die gemeenschapsgerichte zorg nastreven hebben reeds een sterke evidence-based onderbouw. Volgens de literatuur kan dit verder geoptimaliseerd worden door de cliënt uit te nodigen op de behandelplanbijeenkomst, hem standaard een kopie aan te bieden van het behandelplan en het realiseren van een continue bereikbaarheid. Verder onderzoek zal uitmaken of toevoeging van deze elementen in de praktijk zinvol en wenselijk is.

 

P09

Hoe helpt het Vlaams zelfhulpprogramma MijnKwartier.be bij burn-out, stress, depressie of angst?

Paul Koeck, hoofdgeneesheer MijnKwartier.be, Antwerpen

 

Het Vlaamse zelfhulpprogramma ‘MijnKwartier.be’ hielp de laatste 3 jaar meer dan 1.000 patiënten met stress, burn-out, angst of depressie.

De poster geeft antwoord op volgende vragen: Welke zijn de indicaties en contra-indicaties? Welke zijn de gemeten resultaten op korte en op lange termijn? Voorschrijfgedrag: Hoe schrijf ik deze vorm van online zelfhulp voor aan mijn patiënt? Combinatietherapie: Hoe combineer ik MijnKwartier.be met gesprekstherapie, groepstherapie of psychofarmaca? Opvolging: Hoe kan ik mijn patiënt best opvolgen terwijl hij deze zelfhulp volgt? Welke rol speelt MijnKwartier.be in de nabegeleiding van mijn patiënt na ontslag? Hoe kan MijnKwartier.be onze wachtlijsten helpen verminderen? Hoe begeleidt MijnKwartier.be familieleden en mantelzorgers als sociale steun voor de patiënt die aan zelfhulp doet? Hoe rapporteert dit zelfhulpprogramma de evolutie van de patiënt aan de begeleidende huisarts, psychiater of hulpverlener? Hoe verloopt de terugbetaling van MijnKwartier.be? Op welke therapeutische modellen steunt MijnKwartier.be? Welke problemen kan de laatste versie van MijnKwartier.be al begeleiden en hoe verloopt dit?

 

P10

Bewegingstherapie bij jonge psychiatrische patiënten met een lichte verstandelijke beperking: zelfbeeld, bewegingsbeleving en motivatie

Johan Herbots, bewegingstherapeut, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

 

Mensen met een psychiatrische aandoening riskeren een verlaging van hun mogelijkheden, bij voorbeeld bij een manische opstoot (state dependant). Een bijkomende verstandelijke beperking maakt de performance afhankelijk van het verworven niveau (trait dependant).

In deze bijdrage onderzoeken we het zelfconcept bij psychiatrische patiënten met een lichte verstandelijke beperking. De bedoeling is een verheldering te brengen in de zelfbeleving en het zelfbeeld bij deze specifieke populatie om zo indicaties voor therapie en begeleiding te kunnen formuleren.

Het zelfconcept wordt nagegaan in een groep psychiatrische patiënten (m/v) met een lichte verstandelijke beperking (te verwachten N = 51) aan de hand van de Physical Self-Perception Profile (Fox, 1990). De bevraging gebeurt onder begeleiding om de betrouwbaarheid van de meting te garanderen.

We verwachten hoge waarden in de dimensies die de fysieke en niet-academische zelfwaardering meten. Een hogere zelfwaardering, bijvoorbeeld door een steviger lichaamsbeeld, vermindert de kwetsbaarheid voor problemen op emotioneel en sociaal vlak.

Referenties

Dekkers, M. (2006). Lichamelijke oefening. Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen

Fox, K.R. (1990). The Physical Self-Perception Profile: Manual. Northern Illinois University, Office of Health Promotion

 

P11

Samenhang tussen Routine Outcome Monitoring en Quality of Life bij forensische patiënten

Marlies Jonckers, master klinische- en gezondheidspsychologie, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

Steven Degrauwe, therapeutisch coördinator Forensische PVT, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

 

Met dit onderzoek wil men nagaan of er een verband is tussen het behalen van behandeldoelen van forensische cliënten en hun kwaliteit van leven, zowel in een residentiële setting als binnen beschut wonen/outreach.

Bevraging van de behandelvooruitgang, ook wel Routine Outcome Monitoring genoemd, heeft als doel na te gaan in welke mate bepaalde behandeldoelen over een periode van enkele maanden bereikt worden.  In dit onderzoek valt medicatie niet onder behandeling. Het gaat hier meer specifiek over de doelstellingen die men wenst te bereiken (bijvoorbeeld het zoeken en vinden van een nuttige dagbesteding). Enerzijds worden enkele aspecten over de vooruitgang van de behandeling getoetst bij de hulpverleners door middel van een nieuwe vragenlijst. Anderzijds wordt ook kwaliteit van leven gemeten door middel van de MANSA. Er wordt ook een meting uitgevoerd met de HONOS.

Een eerste meting vond plaats in november-december 2013. De tweede afname gebeurde in mei 2014. Hierdoor kunnen we een vergelijking maken betreffende kwaliteit van leven en behandelvooruitgang tussen de twee meetmomenten.


Woensdag 17 september 11u15-12u45

P12

Identificatie van paniekstoornis subtypes gebruikmakend van factor mixturetechnieken

Thomas Pattyn, ASO psychiatrie, CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Achtergrond

De paniekstoornis heeft een belangrijk heterogeen aspect, getuigend hiervan is de sterk variërende klinische presentatie en het neurobiologisch onderzoek met veel inconsistente resultaten waardoor verder onderzoek naar de etiologie, neurobiologische mechanismes en de behandeling van de paniekstoornis bemoeilijkt wordt. Empirische pogingen om subtypes van paniekstoornis te identificeren zijn tot nu toe niet onafhankelijk gereproduceerd geweest.

Methodologie

Het primaire doel van deze studie bestond uit de identificatie van paniekstoornissubtypes in een grote (n=658), goed gedocumenteerde, gemengde populatie afkomstig van de Nederlandse Studie naar Angst en Depressie (NESDA), gebruikmakend van een data-gedreven, case-centered techniek (factor mixture modeling). De analyses zijn uitgevoerd op een set van breed variërende angstsymptomen afkomstig van de Beck Anxiety Inventory (BAI). Subtypes zijn vervolgens beschreven aan de hand van verscheiden klinische karakteristieken.

Resultaten

Een drie-klassen, unifactorieel model was superieur tegenover alle andere modellen (BIC= 13,200; LMR= 0,0295; BLRT= < 0,0001) waarbij de eerste klasse beschreven wordt als een cognitief-autonoom subtype bestaande uit 30% van de populatie. De tweede klasse, het autonome subtype, beslaat 30% en de derde klasse, het aspecifieke subtype, vertegenwoordigt 40% van de populatie. Het cognitief-autonome en het autonome subtype vertonen significante verschillen op verscheidene klinische karakteristieken zoals comorbiditeit en suïcidepogingen, in vergelijking met het derde subtype maar verschillen onderling slechts op ernstgradatie.

Conclusie

Drie kwalitatief verschillende paniekstoornissubtypes werden geïdentificeerd: een ernstig cognitief-autonoom subtype, een matig autonoom subtype en een licht aspecifiek subtype. Kwalitatieve en kwantitatieve verschillen bestaan hoofdzakelijk uit een ernstgradatie en bij specifieke klinische karakteristieken.

 

P13

Behandelbetrokkenheid en psychische noden bij meisjes in een Gemeenschapsinstelling voor Bijzondere Jeugdbijstand (GBJ)

Lore Van Damme, doctoraatsstudente, Universiteit Gent

Olivier Colins

Wouter Vanderplasschen

 

Achtergrond

Behandelbetrokkenheid wordt in toenemende mate beschouwd als een cruciale factor in het bepalen van behandeluitkomsten en -effectiviteit. Evoluties naar meer vraaggestuurde hulpverlening stellen voorzieningen met een begrenzend regime, zoals GBJ’s, voor grote uitdagingen. Aangezien jongeren er geplaatst worden na een beslissing van de jeugdrechter, is er vaak sprake van weerstand en een gebrek aan behandelbetrokkenheid. Bovendien is het plausibel dat psychische noden, veelvoorkomend bij jongeren in een GBJ (meisjes in het bijzonder), de behandelbetrokkenheid bemoeilijken. Tot op heden focuste het beperkte onderzoek naar de behandeling in GBJ’s zich voornamelijk op het meten van effectiviteit aan de hand van objectieve indicatoren (bv. recidive), eerder dan het perspectief van de jongeren op of hun aandeel in het plaatsings- en behandelingsproces te bestuderen.

Doel

Inzicht verwerven in de relatie tussen psychische noden en behandelbetrokkenheid bij meisjes in een GBJ, op meerdere momenten doorheen de plaatsing.

Methode

Bij 120 meisjes in een GBJ werd de Behandelbetrokkenheidsvragenlijst afgenomen, bestaande uit vier dimensies (i.e., ontvankelijkheid voor verandering, band met personeel, medewerking aan doelen en taken, en therapeutisch engagement). De Massachusetts Youth Screening Instrument-Versie 2 werd gebruikt om de psychische noden in kaart te brengen, bestaande uit zes subschalen (i.e., alcohol/druggebruik, boos-prikkelbaar, depressief-angstig, somatische klachten, suïcidegedachten, en traumatische ervaringen).

Resultaten

De resultaten worden voorgesteld en bediscussieerd.

 

P14

Participatie van patiënten, familieleden en hun vertegenwoordigers in de hervorming van de ggz

Jeroen Knaeps, onderzoeker, LUCAS KU Leuven

Chantal Van Audenhove, directeur, LUCAS KU Leuven

 

Inleiding

De participatie van patiënten en familieleden (P&F) in de ontwikkeling van de geestelijke gezondheidszorg (ggz) leidt tot meer kwalitatieve zorg. Het is bijgevolg cruciaal dat P&F ook betrokken worden in het hervormingsprogramma van de ggz. Het project Participatie formuleert aanbevelingen over deze ggz-hervorming vanuit het perspectief van P&F en hun vertegenwoordigers.

Methode

Er werden checklists ontwikkeld voor de patiënt, het familielid en hun respectievelijke vertegenwoordigers. Elke checklist meet de mate van participatie in de eigen behandeling of in de hervorming van de ggz. Respondenten scoren via vijf-punt semantische schalen enkele belangrijke aandachtspunten zoals de duidelijkheid van de informatie of de crisisopvang.

In 2013 namen 51 patiënten, 18 familieleden, 12 patiënten- en 17 familievertegenwoordigers deel. In 2014 wordt deze steekproef uitgebreid.

Resultaten

De meeste P&F vinden dat er naar hun wensen en noden wordt geluisterd. Men heeft nood aan meer informatie rond het patiëntendossier en de evaluatie van hun eigen behandeling. Vertegenwoordigers pleiten voor meer vorming, de inzet van ervaringsdeskundigheid en duidelijkere regels rond de vergoeding van onkosten.

Conclusies

Via de checklists krijgt men zicht op de participatie van P&F en vertegenwoordigers. Er werden beleidsaanbevelingen geformuleerd over o.a. de implementatie van P&F-raden, huisvesting, crisisopvang, stemrecht… Een samenvatting van deze aanbevelingen wordt aan de poster toegevoegd.

 

P15

Zilverwijzer

Winnie De Roover, stafmedewerker geestelijke gezondheidsbevordering, ViGeZ, Brussel

 

De vergrijzing van de bevolking brengt veel uitdagingen voor het overheidsbeleid en gezondheids- en sociale diensten met zich mee.

Tot voor kort werden de geestelijke gezondheidsnoden van ouderen grotendeels genegeerd, en vaak is dit nog het geval, maar er is een groeiend besef dat inspanningen gedaan moeten worden om meer mensen in staat te stellen ouder te worden met een goede geestelijke gezondheid. Ouderen met een goede geestelijke gezondheid ervaren een hogere levenskwaliteit, een grotere tevredenheid, en kunnen langer een actieve bijdrage leveren aan de samenleving. Mensen met een goede veerkracht zijn bovendien in staat om zich gemakkelijker aan te passen aan veranderingen en om te gaan met negatieve levensgebeurtenissen zoals verlieservaringen, gezondheidsproblemen, beperkingen, … Een brede aanpak die afstapt van de negatieve stereotypering van ouderen (waarbij ouderen als een last worden afgebeeld) en discriminatie is hierbij nodig.

Om de ouderen in Vlaanderen de kans te geven om te werken aan hun mentale veerkracht heeft VIGeZ met steun van de Vlaamse Overheid de groepsmethodiek Zilverwijzer ontwikkeld. Tijdens de Zilverwijzer-sessies gaan ouderen samen met een begeleider (speciaal daartoe opgeleide 50-plusser met relevante ervaring) en leeftijdsgenoten op zoek naar antwoorden op de uitdagingen waarmee ze geconfronteerd worden. De deelnemers kunnen kiezen voor maximaal zes sessies waarin ze onder andere leren omgaan met de sociale veranderingen door pensionering en het verlies van dierbaren. Ze ervaren dat ze nog steeds in staat zijn om nieuwe dingen te leren en bekijken hoe ze meer beweging kunnen integreren in hun dagelijkse leven.

 

P16

Vooronderzoek naar de bruikbaarheid en de effectiviteit van een online zelfhulp-tool voor jongeren met een milde tot matige depressie

Evelien Coppens, projectleider, LUCAS KU Leuven

Anna Vanaerschot, wetenschappelijk medewerker, LUCAS KU Leuven

Chantal Van Audenhove, directeur, LUCAS KU Leuven

 

Eerdere studies tonen aan dat huisartsen een sleutelrol spelen in de vroegtijdige opsporing van depressie. De huisarts is voor veel mensen een vertrouwenspersoon en dikwijls de eerste en soms enige hulpverlener waarmee ze in aanraking komen. Vaak beperkt de rol van de huisarts zich tot de doorverwijzing naar een psycholoog. Veel mensen staan hier echter weigerachtig tegenover en de lange wachtlijsten zijn ontmoedigend.

In het kader van een grootschalig Europees onderzoeksproject (PREDI-NU) werd recent een online zelfhulp-tool ontwikkeld voor jongeren met milde tot gemiddelde depressie. Cruciaal aan de tool is dat deze verspreid wordt door hulpverleners  zoals huisartsen uit de eerste lijn. Patiënten doorlopen de tool op zelfstandige basis en kiezen zelf of ze door een hulpverlener ondersteund willen worden.

In samenwerking met het Medisch en Psychotherapeutisch Centrum (MPTC) van de KU Leuven werd de tool op kleine schaal in de regio Leuven geïmplementeerd. Huisartsen, verbonden aan het MPTC, kregen een opleiding en werden aangemoedigd om de tool aan te bieden aan patiënten die hier baat bij hebben. In de opleiding werd dieper ingegaan op depressie, hoe de huisarts hier best mee omgaat en de tool.

De resultaten van het vooronderzoek worden voorgesteld:

  • Hoe ervaren patiënten en huisartsen de zelfhulp tool?
  • Hoe ervaren de huisartsen de opleiding?
  • Is de zelfhulp-tool effectief om depressieve symptomen te verminderen?

Het vooronderzoek werd gerealiseerd met financiering van Stichting Ga voor Geluk.


P17

Verhoogde aandacht voor details en verlaagde mentale flexibiliteit in anorexia nervosa. Een functioneel beeldvormend hersenonderzoek

Sara Van Autreve, doctoraatsonderzoeker, Vakgroep Psychiatrie en Medische Psychologie, Universiteit Gent

Myriam Vervaet, hoofddocent, coördinator Centrum voor Eetstoornissen, Vakgroep Psychiatrie en Medische Psychologie, Universiteit Gent

 

Situering

Personen met anorexia nervosa (AN) vertonen een verbeterde prestatie in taken waarin detailfocus wordt vereist en een verlaagde prestatie waar set shifting (of mentale flexibiliteit) centraal staat. Voorgaand onderzoek suggereert dat de verwachte superioriteit in detailverwerking vooral geassocieerd lijkt met het restrictieve type (AN-R), terwijl een verlaagde set shifting meer wordt vastgesteld bij het eetbuien/purgerende type (AN-BP).

Diverse studies hebben gepoogd de neurale correlaten van deze cognitieve functies te identificeren, voornamelijk in autisme (wat betreft detailfocus) en obsessieve compulsieve stoornis (wat betreft set shifting). Deze poster presenteert een studie die als doel heeft de betrokken neurobiologische processen bij AN te identificeren, met speciale aandacht voor mogelijke verschillen tussen AN-R en AN-BP.

Methode

A.d.h.v. een fMRI wordt de hersenactiviteit gemeten (en vergeleken) van personen met AN-R (N=15), AN-BP (N=10) en gezonde controles (N=15), tijdens de uitvoering van een Embedded Figures Task (detailfocus) en een Set Shifting Paradigma (mentale flexibiliteit).

Resultaten en discussie

Preliminaire resultaten en implicaties van deze studie worden bediscussieerd. Een belangrijke vraag blijft hoe mogelijke verschillen tussen AN-R en AN-BP kunnen begrepen worden in het licht van de veel voorkomende switch die patiënten maken van de ene diagnostische categorie naar de andere, gedurende de levensloop.

Referenties

Van Autreve, S., De Baene, W., Baeken, C., Van Heeringen, C. & Vervaet, M. (2013). Do restrictive and bingeing/purging subtypes of anorexia nervosa differ on central coherence and set shifting? Eur.Eat.Disord.Rev., 21, 308-31

 

P18

Routine Outcome Monitoring als onderzoeksmiddel naar de cognitieve en psychosociale voortgang van patiënten met een bipolaire en/of psychotische stoornis

Mona Laureys, psychologisch assistente, PZ Duffel

 

De functionele uitkomst (bijvoorbeeld tewerkstelling, zelfstandig leven en kwaliteit van leven) van patiënten met schizofrenie of bipolaire stoornis wordt in grote mate bepaald door de cognitieve symptomen die deze ziektes kenmerken. Hierbij blijken mediërende factoren als ziekte-inzicht en zelf-referentiële processen een cruciale rol te spelen.

Als behandelprogramma werd op een open opnameafdeling voor patiënten met een bipolaire en/of psychotische stoornis (De Fase 2) van het Psychiatrisch Ziekenhuis Duffel een Cognitieve Remediatie Therapie (CRT) opgestart. Deze focust op het trainen van cognitieve vaardigheden zoals aandacht, geheugen en executieve functies. Daarnaast is de integratie van deze vaardigheden in een bredere sociaal-maatschappelijke context cruciaal om herval te voorkomen en de levenskwaliteit van patiënten te verhogen. Vanuit dat oogpunt is de CRT omkaderd met interactieve trainingen over sociale cognitie, metacognitie en ziekte-inzicht. Door middel van Routine Outcome Monitoring wordt de cognitieve en psychosociale voortgang van patiënten tijdens het CRT-programma op systematische wijze onderzocht. Hiervoor is een cognitieve testbatterij specifiek voor patiënten met schizofrenie en bipolaire stoornis samengesteld, onder andere uit de MATRICS Consensus Cognitive Battery (MCCB) en The International Society for Bipolar Disorders-Battery for Assessment of Neurocognition (ISBD-BANC). Bovendien worden er demografische en klinische gegevens verzameld, alsook informatie met betrekking tot het algemeen functioneren van de patiënt.

De preliminaire resultaten van dit onderzoeksproject worden gepresenteerd.

 

P19

Samenhang tussen persoonlijkheidskenmerken en disfunctionele cognitieve schema’s bij middelenafhankelijkheid

Els Pauwels, klinisch psycholoog, PK Broeders Alexianen Tienen

Eva Dierckx, PK Broeders Alexianen Tienen, Vrije Universiteit Brussel

Els Santens, PK Broeders Alexianen Tienen

Hendrik Peuskens, PK Broeders Alexianen Tienen

Laurence Claes, onderzoeksgroep Klinische Psychologie, faculteit Psychologische en Pedagogische Wetenschappen, KULeuven

 

Verslaving en persoonlijkheidsstoornissen komen vaak samen voor. Onderzoek toont aan dat de behandeling van persoonlijkheidspathologie een potentieel herval kan verminderen. Binnen de Young Schema Therapy werd een gespecialiseerd behandelprotocol ontwikkeld voor mensen met een verslaving, namelijk de Dual Focus Schema Therapy. Tot op heden is er echter weinig geweten over de impact van cognitieve schemata op de ernst en het type van verslaving.

In deze studie onderzoeken we het verband tussen cognitieve schema’s en middelenafhankelijkheid in een klinische populatie. We onderzoeken 400 cliënten met een middelenafhankelijkheid met behulp van de Young Schema Questionnaire-2 LF en de Assessment of DSM-IV Personality Disorders (ADP-IV).

Dit onderzoek kan een belangrijke bijdrage leveren aan de klinische praktijk omdat er zo meer inzicht wordt verkregen in de achterliggende cognities bij de verschillende soorten verslavingen.

Referenties

Roper, L., Dickson, J.M., Tinwell, C., Booth, P.G. & McGuire, J. (2009).  Maladaptive Cognitive Schemas in Alcohol Dependence: Changes Associated with a Brief Residential Abstinence Program. Cognitive Therapy and Research, 34(3), 207-215

Young, J. E. & Klosko, J. (2002). Leven in je leven. Amsterdam, Harcourt Assessment

 

P20

Telt de kwaliteit van motivatie? Een onderzoek naar doelinhoud, zelf-regulatie en eetgedrag bij adolescente en volwassen diëters

Joke Verstuyf, lector toegepaste psychologie, Thomas More Hogeschool, Antwerpen

 

Eetregulatie is een belangrijk thema in het dagelijkse leven van veel vrouwen. In een zogenaamde obesogene omgeving, lijkt dit een goede strategie om gezond te blijven. Toch blijkt eetregulatie niet zo effectief of risicoloos te zijn. Een veelheid aan studies wees immers uit dat dieetgedrag gelinkt wordt aan het ontwikkelen van verstoord eetgedrag. Waarom eetregulatie soms wel en soms niet uitmondt in deze problematische uitkomsten is tot op heden onduidelijk.

In deze studie wordt vanuit de Zelf-Determinatie Theorie onderzocht of de motivatie (wat willen diëters bereiken en waarom gaan ze op dieet?) onderliggend aan dieetgedrag kan verklaren wanneer dieetgedrag geassocieerd is met gezonde eetgewoontes en symptomen van verstoord eetgedrag (controleverlies over eten en excessief piekeren over eten en gewicht). In totaal participeerden 197 diëters, waarvan 99 laat-adolescenten (gem. leeftijd = 19) en 98 volwassenen (gem. leeftijd = 45), aan een dagboekstudie waarbij ze gedurende één week hun eetgewoontes bijhielden. Voorafgaand werd de motivatie om te diëten gemeten.

Uit de resultaten bleken autonome motieven en een focus op gezondheid voorspellend voor meer gezonde eetgewoontes doorheen de week, terwijl gecontroleerde motieven en een focus op fysieke aantrekkelijkheid voorspellend was voor meer controleverlies en meer piekeren over eten en gewicht. Jongere diëters en diëters met overgewicht bleken hierbij een groter risico te hebben om een disfunctioneel motivationeel profiel te vertonen. Deze resultaten suggereren dat de uitkomst van eetregulatie afhankelijk is van de motivatie om het eetgedrag te reguleren en een motivationeel perspectief in de behandeling van overgewicht en obesitas essentieel is.

 

P21

De buddy als brug naar de gewone wereld

Laura Ververs, buddymedewerkster, regio Mechelen

 

Zijn sociale contacten met vrienden en familie wel zo vanzelfsprekend? Jammer genoeg niet voor mensen met een langdurige psychische kwetsbaarheid. Buddywerking Vlaanderen wil dit sociaal isolement helpen doorbreken en koppelt hen aan een vrijwillige buddy voor een alledaags vriendschappelijk contact.

Mensen met een langdurig psychiatrisch verleden hebben vaak nog enkel contact met een lotgenoot of hulpverlener. Contacten met vrienden en zelfs familie zijn soms erg moeilijk door het langdurig psychisch ziek zijn. Vereenzaming en isolatie zijn vaak het resultaat. Iedereen heeft echter nood aan gewoon sociaal contact, iets wat vanzelfsprekend lijkt, maar voor mensen met langdurige psychische kwetsbaarheid vaak erg moeilijk is geworden.

Een buddywerking maakt perfect deel uit van deze vermaatschappelijking van de zorg waar de buddy een brug maakt met het gewone, dagelijkse leven, in de omgeving van de deelnemer zelf. Een buddywerking koppelt iemand met een langdurige psychische kwetsbaarheid ('deelnemer') aan een vrijwilliger ('buddy'). Ze ontmoeten elkaar voor een babbel, gaan wandelen, fietsen, naar de film… Buddy’s zijn met andere woorden voor hun deelnemer een brug naar de buitenwereld.

Buddywerking Vlaanderen overkoepelt alle regionale buddywerkingen in Vlaanderen en Brussel en brengt reeds 280 duo’s samen. In elke regionale buddywerking staat samenwerking en het creëren van een algemeen draagvlak centraal. Hierbij wordt een netwerk gevormd met organisaties als IBW, PAAZ, PZT, CAW, Ziekenzorg CM, De Vrijwilligersservice van De Voorzorg etc.

 

P22

Het COVER-team:  een project voor ambulante psychotherapie voor personen met verstandelijke beperking; voorstelling en cijfers van het eerste jaar werking

Gunther Degraeve, psychiater, RCGG Deinze Eeklo Gent

Leen Blontrock, psychotherapeute, CGG Waas en Dender

Ellen Coppens, psychologe, RCGG Deinze Eeklo Gent

Ariane De Laere, psychotherapeute, RCGG Deinze Eeklo Gent

Hannah Dejonghe, psychotherapeute, CGG Zuid-Oost-Vlaanderen

 

COVER is een ambulante werking voor personen, jongeren vanaf 16 jaar en volwassenen met een licht tot matige verstandelijke beperking en bijkomende psychische problemen of psychiatrische stoornissen, uitgaande van een samenwerking tussen RCGG Deinze Eeklo Gent, CGG Zuid-Oost-Vlaanderen en CGG Waas en Dender. Het aanbod omvat enerzijds individuele begeleiding, ondersteuning en gerichte psychotherapeutische behandeling aan de jongere (16+) of volwassene, in het omgaan met de psychische problemen of psychiatrische stoornissen op het cgg in hun buurt. Anderzijds bieden we via onze consultenwerking advies, beeldvorming en ondersteuning aan de omgeving van personen met een licht tot matige verstandelijke beperking.

Bedoeling is om door uitwisseling van kennis de draagkracht te verhogen en beweging te brengen in de vastgelopen situatie. In het eerste werkingsjaar werden 152 cliënten begeleid. Cijfers en grafieken i.v.m. leeftijd, geslacht, niveau van verstandelijke beperking, verwijzer, reden van aanmelding,… worden gepresenteerd en becommentarieerd.