16 en 17 september 2014
Antwerpen, Wilrijk - Campus Drie Eiken
Wie ben ik voor u? Mensbeelden in de geestelijke gezondheidszorg

mededelingen

dinsdag 16 september 2014 11u30-13u00

MO1.  expressie

moderator: Koen Lowet


M01.1

Walk On: ervaringsgericht wandelen naar herstel

Raf Kerkhofs, klinisch psycholoog, OPZC Rekem

Helga Houtmeyers

Jan Stevens

 

We lichten het Walk On-project toe dat een specifiek onderdeel vormt van het behandelprogramma op de zorgeenheid Rehabilitatie. Op deze zorgeenheid verblijven cliënten met langdurige en multicomplexe psychiatrische problematieken; vaak gepaard met verlieservaringen op diverse levensdomeinen. Rehabilitatie- en herstelgericht werken vormen het uitgangspunt in onze hulpverleningsmethodiek. Om het herstelproces van de cliënt binnen deze levensdomeinen meer te concretiseren, wordt sedert voorjaar 2012 gewerkt met ervaringsgerichte wandelprojecten. Gedurende een half jaar worden er wandeltrainingen en outdoor-activiteiten georganiseerd die uiteindelijk uitmonden in een tweedaagse wandeltocht. De meerwaarde ligt in het feit dat de louter fysieke activiteit van het wandelen wordt overstegen door het geboden therapeutisch kader en de daarin verander(en)de therapeutische relatie. Door het delen van dezelfde uitdagende - maar mogelijks ook frustrerende - ervaringen, ontstaat er ruimte voor gesprek, (zelf)reflectie en herstel; ook bij een doelgroep waar eerder traditionele verbale therapieën minder succesvol blijken te zijn. De kern van dit project ligt in het gegeven dat iedere deelnemende cliënt waardevolle inzichten en vaardigheden leert die hij kan toepassen in andere levensdomeinen. De reflecties over de ervaringen tijdens deze wandeltochten worden dan uiteindelijk aangewend als een metafoor voor herstel in het dagelijkse leven.

 

M01.2

Elk mens is een creërend, expressief en relaterend wezen... Creatieve therapie in zijn essentie

Niek Ghekiere, wetenschappelijk medewerker, BVCT-ABAT vzw, Ledeberg

 

Met dit statement is reeds veel verteld - en kunnen we veel vertellen - over het wezenlijke van wat creatieve therapie precies is. Creatieve therapie komt in de geestelijke gezondheidszorg steeds meer in beeld. Deze bijdrage geeft aandacht aan de mensvisie die binnen creatieve therapie aanwezig is: dat ‘elk mens een creërend wezen is’, vertelt over de grootsheid van ons mens-zijn, onze mogelijkheden en de potentie die in elk persoon aanwezig is. Creatieve therapie bouwde op deze zienswijze methodes, technieken en interventies. Ze komen tot uitdrukking binnen de beeldende therapie, de dans- en bewegingstherapie, de dramatherapie en de muziektherapie.

Elke creatief therapeut zet ‘de kracht van het ervaren’, ‘het helende aspect van het handelen en het creëren’ centraal. Duidelijke en onderschreven methodes dragen bij tot het bekomen van specifieke doelstellingen en stellen de cliënt in staat nieuwe mogelijkheden te ontdekken en eigen te maken. De mogelijkheid bieden aan cliënten om in een veilige context waarin de cliënt bewust is van zijn ‘gezien worden’ en van ‘zich te laten zien’- is niet alleen verbindend; de relatie tussen cliënt en therapeut, waarin de belichaamde expressie van de cliënt erkend en herkend wordt, is een helende, vernieuwende en creërende relatie.

Deze mededeling geeft inzicht in wat creatieve therapie is en welke meerwaarde een creatief therapeut kan betekenen voor uw multidisciplinair team of voor u als doorverwijzer. U komt daarnaast te weten waarom de neurologie van zo’n groot belang is voor creatieve therapeuten en welke evidentie bestaat dat creatieve therapie effectief is.

 

M01.3

Spelen tussen 'binnen' en 'buiten': theaterproject Amlett

Martijn Devos, Kliniek Sint-Jozef, Pittem

Nele Fiers, Kliniek Sint-Jozef, Pittem

 

Een professioneel theatermaker werkte begin oktober 2013 een intensieve periode samen met begeleiders en patiënten van Kliniek Sint-Jozef Pittem. Via de theatervoorstelling Amlett kreeg de toeschouwer een inkijk in de wereld van de psychiatrie. Deze voorstelling creëerde een ruimte waarin de verbeelding opnieuw kon ontstaan. N(i)et echt. Twee uitverkochte uitvoeringen waren het resultaat… Betekenisvol voor élke betrokkene. Alles vond plaats in samenwerking met cultuurcentrum De Spil (Roeselare) en kaderde binnen de tweede editie van La Folia, een week van promotie voor de geestelijke gezondheidszorg en destigmatisering van de psychiatrie.

Deze bijdrage werpt een blik op de wijze waarop het theaterproject vorm kreeg: tussen ‘binnen’ en ‘buiten’, op de grens tussen ‘realiteit’ en ‘fantasie', binnen een dynamisch spel tussen patiënt, begeleider, team en toeschouwer. Theaterproject Amlett keerde taboes binnenstebuiten. Het werd een verhaal over moeilijkheden en mogelijkheden tijdens een proces van 'herstel' en behandeling vanuit psychodynamisch perspectief. Zowel het therapeutisch kader als de relatie werden doorheen het project uitgedaagd en bevraagd.

Tot slot geven we ook een podium aan de ervaring van de (buiten)spelers zelf.

 

dinsdag 16 september 2014 11u30-13u00

M02. ervaring en steun

moderator: Dag Van Wetter


M02.1

Van PIT tot PEER: Samen groeien door betekenisvol omgaan met de eigen ervaringskennis!

Bart Debyser, wetenschappelijk medewerker, Kliniek Sint-Jozef, Pittem

Martine Voet, ervaringswerker

 

Het delen van ervaringskennis is van grote waarde voor (toekomstige) hulpverleners. Het helpt hen om meer met de ogen van een patiënt te kijken. De mens in de patiënt en zijn specifieke context komt hierdoor meer op de voorgrond. Maar ook de meewerkende patiënten halen er voordeel uit. Patiënten ervaren meer erkenning, de eigenwaarde en het zelfvertrouwen nemen toe en eigen grenzen worden verlegd. Met de titel Van PIT tot PEER zinspelen we op de kracht die uitgaat van groepen als de PIT-groep (Participatie in therapie; participatie in training), de P4P (Peer for peer)-jongerengroep en de BOE-groep (een acroniem dat staat voor ‘Betekenisvol ontdekken van eigen ervaringsdeskundigheid’). Het zijn drie groepen die recent opgericht werden binnen de psychiatrische kliniek van Pittem en tot doel hebben opgenomen of ontslagen jongeren, jongvolwassenen en volwassenen met een psychische kwetsbaarheid te empoweren, zodat ze de eigen ervaringskennis inzetbaar kunnen maken in zorg of onderwijs. We delen onze expertise in verband met het opbouwen van ervaringsdeskundigheid met de aanwezigen. We doen dit door eerst patiënten ervaringen met zorg te bundelen in een korte evocatie. Als toeschouwer kijk je mee door de ogen van mensen die opgenomen zijn op een psychiatrische afdeling.

We reflecteren in dialoog met het publiek over herstelgerichte zorg, de plaats van de ervaringswerker binnen een psychiatrische kliniek en in de opleiding van toekomstige hulpverleners. We zoeken hoe vormen van patiëntenparticipatie in zowel de eigen kliniek als in het hoger onderwijs van hieruit kunnen gerealiseerd worden.

 

M02.2

Wie zijn zij voor mij? Steun vanuit het sociaal netwerk in kaart brengen

Emiel Nelissen, psycholoog, PC Broeders Alexianen, Boechout

Marianne Destoop, PC Broeders Alexianen, Boechout

 

Herstellen van psychiatrische problemen is in essentie een persoonlijk proces, maar tegelijk speelt het zich af binnen een sociale en relationele context en is het daar onlosmakelijk mee verbonden. Sociale steun vanuit het sociaal netwerk biedt de persoon belangrijke hulpbronnen die zijn herstelproces kunnen bevorderen. De steun die uitgaat van vrienden, of gewoon al het hebben van vrienden, wordt vaak uitdrukkelijk aangestipt als helpende factor. Het gaat hierbij ook over het herstel van sociale rollen en wederkerigheid in de relaties. Bij vele psychiatrische patiënten is het sociale netwerk echter afgebrokkeld door opeenvolgende ziekteperiodes en opnames, en zijn veel contacten weggevallen. Vaak hebben ze een verarmd sociaal netwerk, met soms nog maar alleen enkele lotgenoten en zwaarbelaste familieleden.

Hoe kunnen wij als hulpverleners herstel bevorderen in dit belangrijke levensdomein? Een eerste stap is samen met de betrokkene zijn sociale netwerk in kaart brengen, niet alleen de steunfiguren en het zorgnetwerk, maar ook de andere sociale relaties die een plaats hebben in zijn leven en herstel. Deze methodiek wordt gepresenteerd. Eerst proberen we op te lijsten wie er allemaal deel uitmaakt van het sociale netwerk, als familie, vrienden of hulpverleners, dichtbij of veraf. Een visuele voorstelling maakt dit alles een stuk overzichtelijker. Via gerichte bevraging proberen we een beter zicht te krijgen op sterktes en zwaktes, wensen en behoeftes. Dit kan een goede basis vormen om doelstellingen en concrete acties af te spreken in de uitbouw van een meer bevredigend sociaal netwerk.

 

M02.3

Wie ben ik? Verhalen van ervaringsdeskundigen

Patrick Colemont, ondervoorzitter Ups en Downs, Hasselt

 

Ups & Downs laat in samenwerking met andere patiëntenverenigingen en OPGanG een aantal ervaringsdeskundigen aan het woord over hun visie op wie ze zijn als mens en ervaringsdeskundige. Hoe hebben zij hun eigen opname ervaren? Hoe is het proces van hun herstel verlopen en hoe zijn zij geëvolueerd tot ervaringsdeskundige in de nieuwe ggz-wereld? Hoe ervaren zijn de samenwerking met professionelen. Zijn er vooroordelen en is er stigma?

De bedoeling is om best practices naar voren te brengen en een aantal Vlaamse ervaringsdeskundigen aan het woord te laten over wie ze zijn en hoe ze zichzelf zien. Hieruit kan men leren over de noden en de uitdagingen die zich momenteel stellen.

 

dinsdag 16 september 2014 14u00-15u30

M03. veiligheid

moderator: Peter De Wolf


M03.1

Van opsluiten naar aansluiten

Annelies Verkest, verpleegkundig specialist in de ggz, Kliniek Sint-Jozef, Pittem

Karel Desmet, afdelingshoofd eenheid Jeugdbehandeling, Kliniek Sint-Jozef, Pittem

 

Een onderdeel van de kwaliteitsverbetering in ons ziekenhuis, kliniek Sint-Jozef in Pittem, is het streven naar een cultuur waarin het afzonderen (opsluiten) en fixeren van patiënten plaats ruimt voor het zoeken naar aansluiting met de patiënt. In het ziekenhuis verblijven patiënten vanaf 14 jaar. Bij de personen die in behandeling zijn komen regelmatig suïcidaliteit, zelfverwonding, agressie of middelengebruik voor die de veiligheid en integriteit van de persoon of van derden in gevaar kunnen brengen. We proberen samen met de patiënt de persoonlijke betekenis van het risicogedrag te exploreren en te begrijpen, gebaseerd op onze eigen interpretatie van het crisisontwikkelingsmodel. In elke fase in de ontwikkeling van een crisis vatten we dan specifieke vroege signalen en acties samen in een signaleringsplan. Daarnaast besteden we veel aandacht aan een therapeutisch milieu dat veiligheid en houvast biedt (holding environment) en bedachten enkele infrastructurele concepten die het veiligheidsmanagement kunnen ondersteunen: comfortroom en herstelkamer.

Het ontwikkelen en implementeren van het project gaat gepaard met enkele uitdagingen. Zo mag het fixatievrij en separeerarm werken niet resulteren in een toegenomen toepassing van andere of verdoken dwangmaatregelen. Daarnaast dienen alle medewerkers in de organisatie deze overtuiging zoveel mogelijk uit te dragen in hun dagelijkse werk. Specifiek gaat het over het veiligheidsmanagement dat zich sterk richt op ‘positive risk taking’. Net daarom is het belangrijk om naast het inzetten op een bewustwording en mentaliteitswijziging op alle niveaus op therapeutisch vlak, ook in te zetten op het bereiken van enkele subdoelen.

 

M03.2

Mijn mesje: vriend of vijand?

Anneleen Vanmaele, verpleegkundige, Centrum voor Psychiatrie en Psychotherapie Kliniek Sint-Jozef, Pittem

 

Heel wat jongeren op onze afdeling verwonden zichzelf. Het start meestal met krassen op de ziel die vertaald worden naar krassen op het lichaam. Het weerspiegelt de oorlog die binnenin de jongere gevoerd wordt. Binnen afdelingen is er vaak een soort spreekverbod op zelfverwonding. De kijk én aanpak op zelfverwonding ligt besloten in protocollen én strikte procedures.

Ook onze benadering lag tot voor kort in diezelfde lijn. Sinds een tijdje werken we binnen de afdeling met een vernieuwde visie rond veiligheidsmanagement, een nieuwe methodiek, waarbij we de focus leggen op het proces én de beleving. Inspiratiebron was het valoriseren van de ervaringsdeskundigheid van de jongere zelf rond deze problematiek. De eerste resultaten hiervan zijn alvast hoopgevend.

 

M03.3

Beperkende maatregelen bij zelfverwondend gedrag: nodig of overbodig?

Bart Debyser, wetenschappelijk medewerker, Kliniek Sint-Jozef, Pittem / departement verpleegkunde, Hogeschool Vives, Roeselare


Hoewel over vrijheidsbeperking in de psychiatrische zorgverlening een enorme hoeveelheid aan onderzoeksliteratuur beschikbaar is, is er relatief weinig literatuur die rapporteert over de toepassing van beperkende maatregelen bij zelfverwonding en de invloed ervan op de verpleegkundige patiëntrelatie. Vanuit benchmarkonderzoek weten we dat beperkende maatregelen nog steeds frequent toegepast worden bij zelfverwonding in Vlaanderen.

In het perspectief van deze vaststellingen staan we in deze mededeling stil bij volgende vraag: hoe ervaren residentieel opgenomen patiënten met een institutionele automutilatieproblematiek de ingestelde maatregelen die tot doel hebben zelfverwonding in te perken?

Deze onderzoeksvraag wordt beantwoord vanuit gegevens die verzameld werden via multicentrisch kwalitatief onderzoek, gebaseerd op principes van de grounded theory.

 

M03.4

De bescherming van het residentiële

Gertrudis Dispersyn, deskundige creatieve begeleiding, Mortsel


Ik wil onder de aandacht brengen, niet beschuldigen, dat de ontwikkeling naar minder residentieel of meer ambulant, van meer participatie van de patiënt, in onze familie noodlottige gevolgen heeft gegeven.

Vier en een half jaar geleden verbleef mijn neef onder gedwongen opname in een psychiatrie in het Antwerpse. Heel de familie dacht dat gedwongen opname inhield: ongeveer 40 dagen verblijf binnen de psychiatrie, of tenminste totdat de medicatie werkte. Dat was zeer nodig. Mijn neef was in zijn psychose herhaaldelijk erg agressief naar zijn ouders.

Verwonderd waren we allen dat hij na tien dagen op bezoek mocht thuis, nadien ook mocht afspreken met vrienden. De medicatie werkte nog niet. Een bepaalde vriend had een zeer negatieve invloed op hem.

Ongeveer na drie weken kreeg mijn neef de uitspraak (twee jaar toezicht) van de vrederechter onder gesloten enveloppe. Hij heeft deze brief zonder begeleiding gelezen en is toen weggevlucht uit de psychiatrie.

De volgende avond heeft mijn neef zijn beide ouders om het leven gebracht.

Ook het leven van mijn neef is nu gebroken.

 

dinsdag 16 september 2014 14u00-15u30

M04. beschouwend_1

moderator: Ellen De Beule


M04.1

De cliënt als consument?!

Willy Colin, gezinstherapeut, UKJA, Antwerpen

 

Deze bijdrage sluit naadloos aan bij het congresthema. Door de vermarkting van de hulpverlening wordt de cliënt steeds meer bekeken als een consument die kiest uit een aantal behandelprogramma's die liefst in groep worden aangeboden. Deze evidence-based behandelprogramma's maken echter abstractie van de particulariteit van elke patiënt. Moet het belang van de cliënt-therapeut terug heruitgevonden worden?

 

M04.2

Enkele klinisch-theoretische en ethische beschouwingen over de positie van de therapeut in de kliniek van extreem psychotrauma en ballingschap

Emmanuel Declercq, analytisch psychotherapeut, psychoanalyticus (espace analytique de Belgique), Vilvoorde

 

Vertrekkende van mijn praktijk als psychotherapeut met een publiek van meestal zwaar getraumatiseerde asielzoekers en vanuit een psychoanalytisch denkkader breng ik een aantal theoretische beschouwingen over psychotrauma, hier gedefinieerd als resultaat van de confrontatie met de realiteit van de onmenselijkheid en de barbaarsheid (Lebigot, Barrois, Bessoles, etc). Dergelijke zware traumata kunnen beschouwd worden als een aanval op de menselijke band (Bion), die het subject kunnen raken in zijn diepste wezen, namelijk in zijn gevoel nog te behoren tot de menselijke gemeenschap (Jacques Roisin). Mij baserend op de theorisaties van o.a. Ferenczi, Roussillon, Barrois, Lebigot enz. toon ik dat het niet enkel de impact is van de initiële traumatische "slag" die het psychisme van het subject kan destructureren maar soms ook het in gebreke blijven van de tweede persoon die verondersteld wordt hulp te bieden (in casu de opvangcondities in het gastland, de asielprocedure, enz).

Vanuit een intersubjectief denkkader stel ik de hypothese voor dat de niet-ontmoeting tussen het psychisme van het subject "in trauma" en in ballingschap en het collectief, cultureel psychisme kan leiden tot een psychotisering van de band met de ander, door Furtos geïdentificeerd als een "syndroom van auto-exclusie", bv. een "vlucht" van het subject uit de wereld, een "melancholisatie" van de band (Olivier Douville), etc.

Wat zijn dan de implicaties voor de kliniek? Vertrekkende van Freud's conceptualisatie van de figuur van de Nebenmensch en van Ferenczi's theorie van de "tweede behulpzame persoon", stel ik een aantal ethische en klinische beschouwingen voor over de therapeutische relatie, de overdrachts- en tegenoverdrachtsmechanismen en de positie van de therapeut in deze zeer specifieke kliniek.

 

M04.3

Hoop in psychiatrie, de remedie en de kwaal

Lieve Vanhee, psycholoog, therapeutisch coördinator, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

Marc Eneman, psychiater, hoofdgeneesheer, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

 

Demoralisatie kan beschouwd worden als het gemeenschappelijke kenmerk van hulpzoekenden, ongeacht hun diagnose of probleem. Mensen die hulp vragen, worden hiertoe gedreven door diepe ontmoediging. Ze zijn zich onmachtig en hulpeloos gaan voelen, gefaald in hun streven, ze zien de zin niet meer, ze weten niet meer hoe of waarheen. Van de hulpverlener wordt verwacht dat hij vertrouwvol de richting naar een oplossing toont. Hij dient de vertegenwoordiger van de hoop te zijn. Immers: zonder hoop wordt het herstelproces moeilijk. En wie hopeloos is geraakt, neigt ertoe alles op te geven.

Maar wat is hoop eigenlijk, dat vreemde ding dat als laatste der kwellingen in het vat van Pandora achterbleef? Is het een vijand of een vriend? Overtuigde optimisten noteren hoop bovenaan de lijst van onontbeerlijke geneesmiddelen. Is een arts die geen hoop geeft, dan een slechte arts? Misschien is er voor hoop wel geen plaats in de consultatieruimte: door ergens op te hopen versterkt de patiënt zijn positie van afhankelijkheid. En wat met de therapeut die zelf de hoop verloren is? Is het zinnig om de hoop te bewaren, ook als er geen redelijke hoop op genezing is?

 

dinsdag 16 september 2014 16u00-17u30

M05. kliniek

moderator: Paul Derkinderen


M05.1

Hulpverlening, trauma en EMDR

Judit Havelka, zelfstandige psychologe, Agora Therapie- en Vormingscentrum, Antwerpen

 

Het eerste deel is gericht op trauma als klinisch-theoretische entiteit en stelt onder meer de volgende vragen aan de orde:Wat is psychotrauma en PTSS? Waarom is het belangrijk om te praten over psychotrauma? Wat zijn traumatische gebeurtenissen, en wat doet het met een mens? Leidt een ingrijpende gebeurtenis noodzakelijk tot traumatisering? Wat gaat er dan juist mis bij een trauma?

Het tweede deel gaat over traumaverwerking. De verschillende fasen in de traumaverwerking worden behandeld: stabilisatie-confrontatie-integratie. De spreker gaat dieper in op de confrontatie-techniek van EMDR.

 

M05.2

Verbinding hier, nu en ginds: hoe ga ik er als systeem- en gestalttherapeut mee om?

Isabelle Deryckere, praktijkassistent systeemtherapie, zelfstandig psychotherapeut, UGent / psypraktijk, Gent

 

Als systeemtheoretische psychotherapeut probeer ik contexten in beeld te krijgen, zicht te krijgen op leefwerelden van mensen. Ik kijk samen met cliënten naar verschillen in omgangsvormen in hun diverse netwerken en onderzoek de impact hiervan op hun leven als individu, koppel, gezin, werknemer, vriend,…. Als systeemtherapeut geef ik mij rekenschap van het effect van de therapeutische relatie, zonder dat ik het hier-en-nu van de therapeutische relatie als uitgangspunt neem. Vanuit een metaperspectief kijk ik samen met de cliënt naar wat zich in de communicatie tussen de cliënt en belangrijke andere afspeelt.

Als gestalttherapeut ga ik ervan uit dat de cliënt zijn hele wereld mee binnenbrengt in de therapiekamer. Wat zich afspeelt in de therapeutische relatie, weerspiegelt wat de cliënt in de buitenwereld meemaakt. Als gestalttherapeut breng ik het hier-en-nu van de therapeutische relatie in, enerzijds als ‘diagnostisch instrument’, anderzijds als therapeutisch experiment.

In deze mededeling getuig ik hoe ik concreet aan de slag ga met cliënten vanuit een integratie van deze beide therapeutische denkkaders.

 

M05.3

Stranded whale syndroom: de man die niet meer bewoog

Ellen De Beule, psycholoog, DBC Rug-Nekkliniek, Jessaziekenhuis, Salvatorcampus, Hasselt

Stefan Cuypers, DBC rug-nekkliniek, Jessaziekenhuis, Salvatorcampus, Hasselt

Patrick Grisar, DBC rug-nekkliniek, Jessaziekenhuis, Salvatorcampus, Hasselt

 

In 2009 kreeg Bart een ernstige lumbago en was anderhalf jaar nagenoeg totaal inactief. Hij lag 22 u per dag in bed. Zijn diagnose: “Een verkeerd geprogrammeerd pijngeheugen”. Vandaag beweegt hij 9 u per dag.

Patiënt, arts, kinesitherapeut en psycholoog op één lijn met hun beeldvorming en aandeel.

Vernieuwend: lichaamsgerichte experiëntiële aanpak (volgens Pesso) t.o.v. de gebruikelijke gedragsmatige, cognitieve behandeling van chronische pijnpatiënten.

De rol en aanpak van de arts, kinesist en psycholoog worden tijdens de mededeling toegelicht.

Een blik vooruit:

Bart: “Ik krijg de nodige ruimte, aandacht voor mijn behoeften in alle facetten van mijn aandoening.”

Essentieel: geïntegreerde aanpak, consequent volgen van behandelprogramma, zich openstellen voor alle voorstellen tot hulp.

Psycholoog: “De man die zich probeerde recht te houden en ruggen-steun zocht.”

Basisprincipe: is en was er voldoende invulling van de basisbehoeften (plaats, voeding, steun, bescherming, grenzen)? Centraal bij Bart: invulling van steun en ruimte. 

Arts: “Modelvoorbeeld van het ‘stranded whale syndrome’ (naar Waddell).”

Noodzakelijk: gecombineerde aanpak met fysieke én psychische ‘restauration’ om de uitgesproken ‘disability’ (samenspel van fysieke dysfunctie en ‘illness behavior’) om te keren.

Kinesitherapeut: “Een fluwelen aanpak van uitgesproken kinesiofobie”.

Essentieel: multidisciplinaire zorg, op tempo van Bart – stapsgewijs -  leren omgaan met bewegingsangst.

Referenties

Waddell, G. (2004). The Back Pain Revolution. London, Churchill Livingstone

Pesso, A. & Crandell, J. (Eds.) (1991). Moving psychotherapy. Theory and application of Pesso system/psychomotor therapy. Cambridge, Brookline Books

 

M05.4

Hoe omgaan met ongewone mensbeelden in een reguliere praktijk?

Jean-Marie Decuypere, psychiater, privépraktijk, Zoersel

 

Meer en meer groeit het besef dat de mens niet alleen op biopsychosociaal niveau functioneert, maar ook een spirituele dimensie heeft. Veel patiënten vragen trouwens naar een behandeling waarin aandacht geschonken wordt aan levensbeschouwelijke onderwerpen.

Maar wat te doen als het mensbeeld van de cliënt afwijkt van dat van de behandelaar en aanleiding geeft tot onmacht? Of om een collega-psychiater te citeren: “Al die alternatieve en spirituele dingen, ik vind dat eigenlijk best wel interessant, patiënten zijn er zelf ook mee bezig want ze komen met van alles af hé – hoe heet het allemaal: healing, reiki, channeling – maar ik weet daar te weinig over om ze daarin te kunnen coachen. Verder dan ‘pas toch maar op’ gaat mijn advies niet. En als psychiater zou ik tegen mijn patiënt toch graag wat meer kunnen vertellen dan ‘pas op’.” Spiritualiteit is een levenshouding. Transpersoonlijke psychologie, een zijtak van de humanistische psychologie, is de wetenschappelijke bestudering daarvan.

Na een algemene inleiding (historiek, kritiek, topics) worden kort enkele casussen besproken. Daarbij wordt aangetoond dat openheid voor de leefwereld van de cliënt – al is het maar een theoretisch venster – niet alleen het rapport met die cliënt bevordert maar ook de efficiëntie van de lopende therapie doet toenemen. Na het formuleren van enkele algemene aanbevelingen is er ruimte voor vragen en debat.

 

dinsdag 16 september 2014 16u00-17u30

M06. verslaving

moderator: Gilles Geeraerts


M06.1

Rookstop en psychiatrie: een onmogelijke combinatie?

Ellen Excelmans, psycholoog, VRGT, Heist op den berg

 

De prevalentie van roken bij mensen met een psychiatrische patiënten is twee- tot driemaal hoger dan in de algemene populatie. Het aantal rokers wordt er gemiddeld op 70% geschat. Dit betekent een verhoogde mortaliteit en aanwezigheid van tabaksgerelateerde aandoeningen bij patiënten met een psychiatrische aandoening. Desondanks wordt er in psychiatrische instellingen en/of diensten zowel door patiënten als door personeel weinig geïnvesteerd in rookstopbegeleiding. Er bestaan namelijk veel tegenwerpingen aangaande de noodzaak en mogelijkheid tot rookstop bij patiënten met psychiatrische aandoeningen.

Deze bijdrage belicht de voor- en tegenargumenten voor rookstopbegeleiding bij psychiatrische patiënten vanuit wetenschappelijk onderzoek en de praktijk.

 

M06.2

Verslaving en eetproblemen: een vrouwenzaak?

Wendy Donders, afdelingspsycholoog, Kliniek Broeders Alexianen, Tienen

 

Terwijl het voorkomen van middelengerelateerde problematiek bij vrouwen een sterke inhaalbeweging maakt ten opzichte van mannen, blijven eetstoornissen disproportioneel veel vaker – in een verhouding van 10 tegen 1 - voorkomen bij vrouwen. Hoge comorbiditeit tussen eetstoornissen en middelengerelateerde stoornissen bij vrouwen is bovendien gedocumenteerd en ook in de realiteit van een genderspecifieke behandelgroep voor vrouwen met middelenafhankelijkheid speelt eetproblematiek een voortdurende rol.

Ondanks het bestaan van verschillende theoretische pathogenetische modellen biedt de wetenschappelijke literatuur nog weinig houvast voor een geïntegreerde aanpak van eetstoornissen en middelengerelateerde problematiek.

Theorieën waarin eetstoornissen als gedragsverslaving zijn geconcipieerd of waarin gemeenschappelijke etiologie wordt gepostuleerd, worden kort voorgesteld en gewogen.

Uitgaande van deze theorieën wordt gezocht naar een voor een verslavingsafdeling gepast assessment van gedragsverslaving in het algemeen en van eetstoornissen in het bijzonder.

We delen graag onze klinische ervaringen, de bevindingen uitgaande van onze reeds bestaande patiënten database en we stellen nieuwe onderzoekslijnen voor.

 

M06.3

Zelfhulpgroep Sexaholics Anonymous voor seksverslaving

Luc Daenen, ervaringsdeskundige, Sexaholics Anonymous, Erps-Kwerps

 

SA (Sexaholics Anonymous) is een zelfhulporganisatie voor mannen en vrouwen die lijden aan de ziekte van seksverslaving. SA werkt hiervoor op net dezelfde manier als de alom bekende AA (Anonieme Alcoholisten) met het twaalfstappenprogramma, sponsorschap, vergaderingen, een netwerk opbouwen, zich inzetten voor anderen, enz.

SA is géén therapeutisch programma, maar vele hulpverleners hebben ondervonden dat de zelfhulpgroep voor hun cliënten een onschatbare aanvulling vormt op hun therapeutische begeleiding en/of medische ondersteuning.

 

woensdag 17 september 2014 9u15-10u45

M07. meten

moderator:


M07.1

Streven naar kwaliteitsvolle zorg via een werkbare relatie tussen participerende patiënten en een pro-actief werkend team

Stefaan Baert, stafmedewerker kwaliteit en zorguitkomsten, PC Sint-Jan, Eeklo


Het bijsturen van behandelingen van mensen met psychische problemen louter op grond van resultaten is niet efficiënt zonder inzicht in patiëntkenmerken en bijkomende informatie over onderliggende veranderingsprocessen. Het kwadrantmodel, dat in deze bijdrage in primeur wordt gepresenteerd, focust op een werkbare interactie tussen participerende patiënten en een pro-actief werkend team, met als doel de patiënten zo goed mogelijk voorbereiden op zowel psychologische veranderingen als maatschappelijke integratie, dit vanuit een kwantitatieve aanpak.

De Personal Recovery Scale (PRS-16) gaat de impact na van patiëntkenmerken en sociale omgeving, via mediërende processen, op zorguitkomsten. Met de PRS-16 beantwoordt de patiënt 16 vragen, onder andere over copingvaardigheden, woon- en dagbesteding, therapeutische relatie, enz. Het invullen duurt slechts enkele minuten en gebeurt bij voorkeur online, maar kan ook op papier. Het instrument verschilt op drie vlakken van de klassieke Routine Outcome Monitoring aanpak: de PRS-16 1) focust op hulpbronnen en processen die echt belangrijk zijn en verandering teweeg brengen, 2) geeft aan op welke vlakken interventies nodig zijn, en 3) zet in op zowel faciliterende als belemmerende factoren van herstel.

Zowel het model als de eerste resultaten van het onderzoek komen aan bod.

 

M07.2

Implementatie van Routine Outcome Monitoring (ROM) binnen een academische unit

Tine Maes, hoofdverantwoordelijk, PZ Duffel

 

ROM staat voor de methodiek om door het regelmatig verzamelen van gegevens inzicht te krijgen in de symptomatologie van de cliënt, de behandeling en het resultaat van de behandeling. Men beoogt met ROM meer doelmatigheid van zorg bij diagnostiek, behandeling, terugvalpreventie, zorgcontinuïteit en optimalisering van zorgprocessen (Carlier et al, 2012). Een ROM-systeem levert een schat aan gegevens en kan nieuwe inzichten genereren. Onderzoek met ROM is veelal gericht op effectiviteit van behandelingen zoals die in de alledaagse praktijk plaatsvinden (Nugter & Buwalda 2012).

Het is van belang attent te zijn voor de verschillende fases van een implementatieproces en deze te doorlopen om tot een succesvolle implementatie te komen. Het informeren van de doelgroep zodat men begrijpt wat de verandering inhoudt en men er positief tegenover gaat staan. Het team is geïnformeerd, bezit kennis, en heeft een positieve attitude ten opzichte van de verandering. Daarna kan men overgaan op het feitelijke toepassen en verankeren van de ROM. Met verankering wordt bedoeld dat de veranderde manier van werken een vaste plaats krijgt in het routinematig handelen van hulpverleners (van Wetten et al, 2005).

De Fase 2, De Fase 4 en Spinnaker zijn academische units van het psychiatrisch ziekenhuis Duffel. Deze units hebben alle drie ROM geïmplementeerd. De gegevens worden gebruikt in de klinische praktijk en geven daarnaast een basis van gegevens voor wetenschappelijk onderzoek. Vanuit deze afdelingen wensen wij de ervaringen en aandachtspunten voor de implementatie van ROM te delen.

Referenties

Carlier, I.V.E., e.a. (2012). Empirische evidence voor de effectiviteit van routine outcome monitoring; een literatuuronderzoek. Tijdschrift voor psychiatrie, 54, 2, 121-128

Nugter, M.A. & Buwalde, V.J.A. (2012). Achtergronden en gebruiksmogelijkheden van ROM in ggz. Tijdschrift voor psychiatrie, 54, 2, 111-120

van Wetten, H., Kok, I., Wagner, C., Geurts, M. (2005). Het meten van uitkomsten in de GGZ. Trimbos-instituut, Nivel


M07.3

Het automatiseren en visualiseren van proces- en resultaatsindicatoren als kompas voor het patiëntveiligheidsbeleid in PC Sint-Jan Eeklo

Stefaan Baert, stafmedewerker kwaliteit en zorguitkomsten, PC Sint-Jan, Eeklo

 

Om het opvolgen en bijsturen van het patiëntveiligheidsbeleid te organiseren in strategisch management, worden in PC Sint-Jan Eeklo proces- en resultaatsindicatoren geautomatiseerd en gevisualiseerd. In 2008 werd in het kader van het FOD-contract “kwaliteit en patiëntveiligheid” gestart met het melden van (bijna-)incidenten op papier. De structuurindicator bestond erin dat een meldformulier werd ontwikkeld. De procesindicatoren waren: incidenten worden 1) gemeld en 2) geanalyseerd. De resultaatsindicator was het aantal incidenten per dag. Tussen 2008 en 2012 daalde het aantal incidentmeldingen. In 2013 werden de proces- en resultaatsindicatoren geüpdatet. De structuurindicator bestond erin dat gestart werd met een elektronisch meldformulier.

De verschillende procesindicatorenwaren 1) het opstellen van een procedure ‘melden en analyseren van een(bijna-)incident’, 2) het toelichten van deze procedure op afdelingsniveau, 3) het systematisch retrospectief en prospectiefanalyseren van meldingen. In functie van benchmark werd een nieuwe resultaatsindicator toegevoegd: het aantal incidenten per dag per 100 bedden. Hoewel we in 2013 een positieve trend vaststellen in de meldcultuur, is er in bepaalde afdelingen nog ruimte voor verbetering. Volgende procesindicatoren worden voorbereid: 1) een halfjaarlijkse terugkoppeling van de resultaten per afdeling, 2) good practices van incidentanalyses in de nieuwsbrief kwaliteit, 3) de analysemethodiek beter afstemmen op de verbeteracties, en 4) een analyse en/of bevraging van medewerkers waarom ze (niet) melden.


woensdag 17 september 2014 09u15-10u45
M08. De mens centraal
moderator: Leo Ruelens


M08.1 Antropo-psychiatrie als paradigma voor deze tijd
Leo Ruelens,
psychiater, Sint-Andriesziekenhuis, Tielt

De psychiatrie van vandaag heeft zich ontmanteld. Van het grote bio-psycho-socioculturele programma bleef enkel haar biologische interesse overeind. Haar rijke diagnostische en theoretisch-speculatieve beschouwingen verschraalden tot een steriel classificatieschema à la DSM of ICD, dat elke wetenschappelijkheid mist.
Therapie wordt helemaal overgelaten aan psychologen, die dan ook het veld prompt claimen (zie recente wetgeving erkenning psychotherapie). Grote doctrines zoals de Psychoanalyse de Schicksalsanalyse, de Daseinsanalyse en de Psychotherapie Institutionelle worden als incompatibel verstoten door veel psychiaters.
De verschraling van de psychiatrie verzwakt haar niet enkel, maar maakt haar ook oninteressant zodat ze nog weinig gekozen wordt door jonge artsen als specialisatierichting. We zijn dringend toe aan een ander paradigma.
De antropo-psychiatrie biedt dit alternatief. Ze stelt terug de mens centraal, heeft duidelijke werkhypotheses en integreert alle aspecten van biologische, psychologische, sociale en therapeutische aard. Meer zelfs is ze een volwaardig paradigma voor deze tijd, omdat ze ook iets te zeggen heeft over de omgang tussen mensen, privé, op professioneel en op politiek niveau.
Deze mededeling wil deze - ten onrechte - weinig gekende denkrichting voor te stellen aan een breed publiek van zorgverleners.

M08.2 Antropopsychiatrie: het DNA van de klinische praktijk
Marc Calmeyn,
psychiater, baccalaureus in de filosofie, PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge

Eerst wordt ‘the heart of the matter’ van antropopsychiatrie toegelicht. Het kristalprincipe van Freud is de centrale metafoor om de eigen wending van deze denkrichting te kunnen begrijpen.
Vier pijlers vormen de antropopsychiatrische toegangspoort tot adequaat klinisch handelen: nosologie, nosografie, nosotaxie en nosognosie. Doorheen het ‘leesrooster’ van de antropopsychiatrie mijn klinische praktijk te schetsen, hoop ik een uitzicht op een (ver)nieuwe(nde) psychiatrie ‘for all seasons’ te kunnen bieden.
For all seasons …
Inderdaad, het niet onderkennen van menselijke in varianten doorheen tijd en ruimte, leidt tot diagnostische classificaties en opvattingen over psychopathologie die kind van hun tijd blijven. Dit uit zich in een ‘va et vient’ van diagnoses naargelang de opvattingen van de vigerende maatschappij, tijdsgeest en wetenschappelijke paradigma’s.
Durven we als hulpverlener in de geestelijke gezondheidszorg verder kijken dan het DSM-tijdperk lang is?
Deze bijdrage is een aanreiken en getuigen hoe de patiënt op deze wijze beter te begrijpen en te behandelen is. Maar ook hoe hij of zij beter kan begrijpen en beleven…

M08.3 De mens als spreekwezen in de psychotherapeutische relatie
Peter Walleghem,
klinisch psycholoog, psychoanalyticus, vakgroepvoorzitter PPW, Faculteit Mens en Welzijn, Hogeschool Gent

In de lacaniaanse psychoanalyse wordt de mens geconcipieerd als een spreekwezen met een onbewust verlangen. Dit symbolisch–linguïstisch statuut van het subject heeft verregaande implicaties voor de conceptie van de werkrelatie tussen de psychotherapeut en de patiënt. Lacan herdefinieert deze werkrelatie grondig door een conceptuele subversie van het overdrachtsbegrip door te voeren. Twee fundamentele implicaties zijn dat hij de overdracht aan de kant van de therapeut situeert en het weten aan de kant van de patiënt. Dit ondermijnt elke mogelijke therapeutische aanspraak op een alwetende meesterpositie van de therapeut. Soms leidt dit tot fundamentele impasses en moeilijk hanteerbare situaties. We stellen ons de vraag hoe we hier mee om kunnen in de dagelijkse psychotherapeutische praktijk.
Aan de hand van Lacans hertekend overdrachtsbegrip ondervragen we het statuut van psychotherapeut en patiënt binnen de psychotherapeutische context. We baseren ons hiervoor op een grondige lectuur van Lacans Seminarie VIII De overdracht en casuïstiek uit onze psychotherapeutische praxis. 


woensdag 17 september 2014 09u15-10u45

M09. diagnose en indicatie

moderator: Peter De Wolf


M09.1

Loskomen van het etiket van psychiatrie

Ellen Excelmans, psycholoog, De Braam VZW, Heist op den Berg

 

Ondanks de inzet van campagnes ter verbetering van het beeld van psychiatrie hangt er toch nog steeds een taboe op psychiatrische instellingen en diensten. Mensen hebben vaak een vertekend (negatief) beeld van psychiatrie en de patiënten die er opgenomen zijn.

In deze mededeling staan we stil bij de vorming van deze etiketten en hoe we (ook als hulpverlener) kunnen loskomen van allerlei vooringenomen ideeën omtrent psychiatrische patiënten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van Acceptance and Commitment Therapy: een derdegeneratie gedragstherapie die een aantal mindfulness- met gedragsmatige technieken combineert.

 

M09.2

Autismespectrumstoornissen in de DSM-5

Annelies Spek, klinisch psycholoog en senior onderzoeker, Autisme kenniscentrum, Bosman GGZ, Utrecht

 

In mei 2013 is de DSM-5 verschenen. Dit heeft al aardig wat stof doen opwaaien in de media. Ook voor de autismespectrumstoornis (ASS) heeft de DSM-5 de nodige consequenties. Zo is er een aantal criteria verdwenen, waaronder de vertraging in de taalontwikkeling. Daarnaast zijn er criteria veranderd of toegevoegd, bijvoorbeeld op het gebied van de sensorische prikkelgevoeligheid. Wat betekenen deze veranderingen concreet voor de diagnose en behandeling van ASS? Wat zijn de praktische gevolgen voor het diagnostisch proces en wat zijn differentiaaldiagnostische overwegingen? Wat houdt bijvoorbeeld de nieuwe diagnose sociaal-communicatieve stoornis in en hoe onderscheidt deze zich van ASS?

Op deze vragen gaan we uitgebreid in. Daarnaast komen de nieuwste inzichten over ASS bij volwassenen aan de orde. Wat weten we nu over de oorzaken van ASS? Wat is de rol van onze genen en in hoeverre speelt omgeving een rol?

 

M09.3

Voorstel voor een nieuwe (angst)stoornis aan de DSM-6 Task Force: religieus fundamentalisme

Jean-Marie Decuypere, psychiater, privépraktijk, Zoersel

 

Half serieus half voor de fun wordt in deze presentatie religieus fundamentalisme gerubriceerd als een stoornis, waarbij het DSM-sjabloon gebruikt wordt om de criteria te schetsen. Daarbij worden zowel de DSM als het fundamentalisme op de hak genomen. Het eindresultaat is desalniettemin een beoordeling die hout snijdt.

 

M09.4

Indicatiestelling vorm gegeven vanuit de vraag: Wie ben ik voor u?

Jimmy Swalens, Vereniging geestelijke gezondheidszorg, Hasselt en Tongeren / privépraktijk Landen

Saartje Ieven, Medisch Centrum Sint-Jozef, Munsterbilzen / privépraktijk, Landen

 

Indicatiestelling staat voor het op zoek gaan naar aanwijzingen die bepalen welke behandeling er momenteel het meest aangewezen is.

Het is verleidelijk om hierbij gericht te zoeken naar deficits. 'Wat is de stoornis van deze patiënt?' focust op een 'ik' en een 'niet-ik met een stoornis'. Doelbewust gebruiken we in de vorige zin niet de woorden 'contact' en 'ander'. Er lijkt slechts plaats voor één persoon, een ik dat dient als referentie, waarbij geen ruimte is voor de ander, noch voor een intersubjectieve contactbeleving. Wanneer we het contact centraler willen stellen, zullen we aandacht moeten hebben voor vragen zoals 'wie ben ik voor de andere?' en 'wie is de andere voor mij?', waarbij de positie van het ik zowel door mij als de ander wordt ingenomen. In elk contact ontstaat er een verbinding tussen ik en de ander die enerzijds invulling geeft aan het contact maar anderzijds ook meebepaalt wie we zijn. Onze identiteit krijgt vorm door antwoorden op deze vragen. Dit impliceert dat contact in de geestelijke gezondheidszorg centraal dient te staan. Indicatiestelling wordt dan het op zoek gaan naar aanwijzingen die bepalen welk contact helend kan zijn.

 

woensdag 17 september 2014 09u15-10u45

M10. therapeutische relatie

moderator: Gilles Geeraerts


M10.1

Van het koppel in de "gesloten kamer" naar de "living"

Mieke Hoste, psycholoog-systeemtherapeut, Rapunzel, Diest/ Kliniek Sint-Jozef, Pittem

 

De vermaatschappelijking van zorg en het herstelverhaal waait op 8 beaufort doorheen het landschap van de gezondheidszorg. In de Scandinavische landen is het tot algemeen goed verworden. Als systeemtherapeut vond ik inspiratie bij Tom Andersen. Zijn mensbeeld is een leidraad, zowel filosofisch gestoeld als door praktijk gevoed.

De wereld van de ambulante praktijk voelt hoe langer hoe meer aan als bandwerk. Als therapeut ontvangen worden in het leven van het koppel, hun “living”, creëert nederigheid bij mij. Alsof de expertpositie lijkt te behoren bij de therapiekamer. Door koppels te ontmoeten in hun eigen context krijgen woorden en gedrag meer betekenis. Er worden meer wegen aangereikt om de zorgen te bekijken.

En toch zijn er weinig collega’s die deze stap overwegen. We kunnen ons buigen over het tijds-economisch plaatje van deze “living” therapie. Maar anderzijds lijkt het me ook relevant te spreken over de angsten die je moet overwinnen om je eigen veilige nest te verlaten. Het inwendige kader versterken en de creativiteit in de “living” kunnen toelaten, zijn belangrijk voor de “livingtherapeut”. Volgens mij stijgt de rijkdom en het effect van de therapie uit boven de bedenkingen. Bovendien zijn er ook veel toepassingen mogelijk als voor- en nazorg bij een psychiatrische opname.

 

M10.2

Werken met psychose (schizofrenie en paranoia)

Abe Geldhof, psycholoog, psychotherapeut, lesgever, onderzoeker, Universiteit Gent / privé-praktijk

 

Klinisch werken met psychotische patiënten roept veel vragen op. Er wordt vertrokken bij een concrete behandeling van een patiënt uit de privé-praktijk van de spreker. Van daaruit worden een aantal principes van de psychoanalytische therapie met psychose ondervraagd op hun klinische accuraatheid en hun ethische implicaties. Meer in het bijzonder wordt stilgestaan bij de therapeutische verhouding en bij de mogelijke interventies van de therapeut.

Referentie

Geldhof, A. (2014). De namen van het genot. Lacan over jouissance en psychose. Leuven, Acco


M10.3

PVT in verandering - het doet iets met een mens

Thijs van Lier, coördinator zorgeenheid, PC Sint-Amedeus, Mortsel / PVT De Wijngaard, Malle

 

We schetsen de bijzondere situatie en de verandering in zorgeenheid De Wingerd (wijziging van populatie van personen met een verstandelijke beperking naar personen met een chronisch psychiatrische problematiek) en gaan dieper in op de moeilijkheden die er zijn bij het vermengen van doelgroepen en de verschillende effecten en gevolgen hierrond:

  • Wijzigingen in werking: meer vraaggestuurd en herstelgericht - welke effecten heeft dit op cliënt en begeleiding?
  • Hoe ervaar ik als bewoner het "moeten" samenleven met anderen en met een andere doelgroep - wat doet dit met mij
  • Welke effecten hebben het loslaten van structuur op ons als begeleiding en op de cliënt?
  • Open vs gesloten leefomgeving en de maatschappelijke (in)tolerantie hebben een effect op mij als cliënt.

Deze mededeling is opgebouwd  rond getuigenissen van zowel cliënten/bewoners als van begeleiding.

Bedoeling is om een duidelijk beeld te geven wat een andere manier van werken en benaderen met de cliënt maar ook met de begeleiding kan doen. Maar evenzeer is het de bedoeling om de moeilijkheden aan te kaarten en ook hierrond te brengen welke effecten dit op de verschillende individuen heeft.

 

M10.4

Ouderen met psychische problemen in de WZC, het relaas van een zoektocht: ‘Madam, wat komt gij hier doen?’

Wendy Dossche, klinisch psycholoog, psychotherapeut, CGG Noord-West-Vlaanderen, Brugge

Mireille Moens

Lieve Lemey, ouderenpsychiater

Filip Desmit, directeur zorgverlening, CGG Noord-West-Vlaanderen

 

Het CGG Noord-West-Vlaanderen zet sinds enkele jaren actief in op het bereiken van ouderen met psychische en psychiatrische problemen. Naast de reguliere werking is outreaching de sleutel om deze doelgroep te bereiken. We stappen naar de oudere patiënt toe, meer specifiek de oudere in de woon- en zorgcentra (WZC). Het aantal psychische en psychiatrische problemen binnen deze populatie ligt zorgwekkend hoog. Zo wordt de prevalentie van depressie bij ouderen in residentiële settings tot drie maal hoger geschat dan bij ouderen in de algemene populatie (Jongelis).

Vanuit het CGG werd een samenwerking opgestart met de WZC regio Brugge. Doorheen deze samenwerking worden we geconfronteerd met obstakels die een particulier antwoord behoeven.

In deze mededeling brengen wij het relaas van de zoektocht naar methodieken en tastbare oplossingen. We beschouwen deze methodieken eveneens ruimer vanuit een aantal wezenlijke vragen die zich opdringen in de ontmoeting met deze oudere patiënten: Hoe verhouden wij ons als hulpverlener tegenover een psychische problematiek in de context van veroudering en afhankelijkheid? Wat kan hulpverlening betekenen wanneer mensen binnen niet onafzienbare tijd komen te overlijden?...

Referentie

Jongelis K. e.a. (2004). Prevalence and risk indicators of depression in elderly nursing home patients: the AGED study. Journal of Affective Disorders, 83, 135-142

 

woensdag 17 september 2014 11u15-12u45

M11. samenwerking

moderator: Lieven Vanlangenaeker


M11.1

Consulentenwerking en ggz van personen met een mentale beperking

Rosien Mesdag, Consulentenwerking Onada, Gouverneur Kinsbergencentrum, Wilrijk

Stéphanie Danckaert, Consulententeam Vlaams-Brabant en Brussel, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

 

Vanuit de Consulentenwerkingen in alle Vlaamse provincies willen we enerzijds specifieke aandacht vragen voor de ggz van personen met een mentale beperking en bijkomende psychische en/of gedragsproblemen. Anderzijds willen we onze werking toelichten omdat we ons enorm aangetrokken voelen door het congresthema 'Wie ben ik voor u? Mensbeelden in de ggz. Dit staat immers centraal in onze werking.

De consulentenwerkingen richten zich naar de natuurlijke en professionele omgeving van personen met een verstandelijke en een bijkomende problematiek, die zich in een vastgelopen hulpverleningssituatie bevinden.

De consulentenwerkingen bieden inspiratie en ondersteuning bij het deblokkeren van de vastgelopen situatie. Door een externe en open blik te werpen op de situatie, trachten we het mensbeeld te verruimen. We focussen ons hierbij op de persoon in zijn totaliteit, op zijn problemen en beperkingen, maar des te meer op zijn mogelijkheden en krachten. Door deze verruiming ontstaan er nieuwe inzichten, openingen en kan de hulpverlening een nieuwe wending krijgen.

De consulentenwerkingen worden financieel ondersteund door SEN vzw, en zijn een samenwerkingsverband met respectievelijk ggz (ambulant en residentieel) en VAPH.

 

M11.2

Centra voor ambulante revalidatie partner of concurrent binnen de Vlaamse geestelijke gezondheidszorg?

Dirk Florin, directie, Het Veer, centrum voor ambulante revalidatie vzw / Nationale Federatie van Centra voor ambulante revalidatie vzw, Sint-Niklaas

 

De Centra voor ambulante revalidatie (CAR) zijn één van de partners binnen de geestelijke gezondheidszorg.  Het thema “Wie ben ik voor u ?” wordt belicht vanuit:

  • De ommezwaai, in een aantal CAR, van “vooral aanbod gestuurd” naar “meer vraaggestuurd” werken en hoe deze CAR dit precies realiseren. (namelijk door gebruik te maken van elementen uit “de behandelcommunicatie” en “het gebruik van de mogelijkheden uit het BPSM-ICF gedachtengoed”.)
  • Zijn de CAR, bij hun overstap naar Vlaanderen, de concurrenten of partners van de centra voor geestelijke gezondheidszorg?

Wij gaan ervan uit dat een overstap naar Vlaanderen de mogelijkheid groter maakt om (op de 2de lijn) een sterkere en kwalitatief betere Vlaamse geestelijke gezondheid uit te bouwen. Dit kan gerealiseerd worden door de complementariteit die bestaat tussen CAR en CGG in alle Vlaamse regio’s verder uit te bouwen.

 

M11.3

Samenwerking Beschut Wonen-Sociale Huisvestingsmaatschappij

Fabien Corneillie, coördinator, Beschut Wonen de Overweg, Ieper

 

Met de vermaatschappelijking van de zorg openen zich ook meer mogelijkheden voor bewoners van initiatieven voor beschut wonen op vlak van uitstroom, al dan niet met begeleiding van de mobiele equipes. Desondanks zijn er vaak externe knelpunten die deze uitstroom ernstig vertragen. Hierbij kan gedacht worden aan financiële factoren, maar ook de schaarste op de reguliere en sociale huizenmarkt.

In de mededeling worden de voornaamste knelpunten van het IBW de Overweg in Ieper aangebracht en wordt stilgestaan bij de mogelijkheden die de wetgever biedt voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. Een voorbeeld hiervan is de bijzondere doelgroepenlijst. Deze mogelijkheden leidden tot een vruchtbare en constructieve samenwerking tussen het IBW en de Sociale Huisvestingsmaatschappij, dewelke geschetst wordt in de mededeling.

 

M11.4

Doelstellingen van de Psy-kring in de GAOZ-regio (Genk-As-Opglabbeek-Zutendaal)

Katelijne Michielsen, psycholoog, privé-praktijk, Opoeteren Maaseik en Genk / Stichting tegen Kanker / Centrum voor Psychologische Begeleiding en Psychotherapie, Genk

 

Onder de vleugels van de plaatselijke huisartsenkring Prometheus vzw werd in Genk en omstreken een kring van psychologen en psychotherapeuten opgericht. De huisartsen zochten binnen het ruimere project ‘Dwarsverbindingen op meso-niveau’ een aanspreekpunt bij klinisch psychologen, zeker voor hun patiënten met chronische aandoeningen waarbij de huisartsen zelf alle begeleiding en behandeling niet kunnen bieden.

Er bleek een grote nood bij de aangesproken psychologen en psychotherapeuten om contact te hebben met elkaar en elkaars werking beter te leren kennen. We vormen een dynamische stuurgroep van dertien, in verschillende werkgroepen en met een kernbestuur van vijf. Er zijn normen opgesteld voor lidmaatschap, die niet enkel het basisdiploma in rekening nemen of de psychotherapeutische vorming, maar die ook erkenning geven aan de professionele ervaring van het lid als seniorlid, juniorlid, aspirantlid of belangstellend lid van de kring van zelfstandige psychologen en psychotherapeuten.

Als lokale kring werden we al direct actief gevraagd bij eerstelijnsoverleg (NOOLIM, Listel, Huis eerstelijn, Huis van het Kind,…). In de toekomst willen we bereikbare eerstelijnspsychologie en voor de bevolking betrouwbare psychotherapie vormgeven, in samenspraak met alle geledingen van de geestelijke en de algemene gezondheidszorg. Voor verwijzers willen we een objectieve transparantie in de geestelijke gezondheidszorg. We willen contacten van psychologen en psychotherapeuten onderling en verwijzingen naar elkaar bevorderen voor een betere doorstroming. We willen lokaal vorming organiseren voor onze leden en de samenhorigheid in onze kwetsbare beroepsgroep vergroten.

Op het congres willen we de dialoog aangaan met soortgelijke initiatieven in ons land.

 

woensdag 17 september 2014 11u15-12u45

M12. (sociale) krachten

moderator: Koen Lowet


M12.1

Cognitieve remediatie voor psychose en bipolaire stoornis: een interactieve kennismaking

Jonne Oldenburg, psycholoog, PZ Duffel

Irma Theeuws

Eline Van Houdt

 

Mensen met een psychotische of bipolaire stoornis hebben over het algemeen een relatief lage functionele uitkomst van een behandeling. Een beperkte therapie- en medicatietrouw leidt bij hen vaak tot een verhoogde kans op herval en uiteindelijk tot een verminderde levenskwaliteit. Onderzoek wijst uit dat zij beperkingen ervaren in een breed scala aan sociaal-cognitieve functies en gedacht wordt dat deze beperkingen voor een belangrijk deel ten grondslag liggen aan het verminderd sociaal-maatschappelijk functioneren van deze patiënten. Zo vertonen zij deficiënties in cognitieve functies zoals geheugen, aandacht en inhibitie maar ook in hoger orde processen zoals sociale cognitie, meta-cognitie en ziekte-inzicht. Het is aangetoond dat het trainen van deze functies kan leiden tot een beter en meer bestendigd functioneel niveau na ontslag waardoor de kans op herval aanzienlijk vermindert en de algemene levenskwaliteit toeneemt.

Op de Fase 2, een behandelafdeling voor personen met een bipolaire en/of psychotische stoornis van het psychiatrisch ziekenhuis Duffel, is daarom een geïntegreerd behandelprogramma opgezet dat patiënten traint en ondersteunt in hun sociaal-cognitieve probleemgebieden. Dit programma omvat naast een medicamenteuze en psychotherapeutische behandeling een computergestuurde cognitieve vaardigheidstraining en specifieke didactische trainingen voor het aanbrengen van cognitieve strategieën, ziekte-inzicht en meta-cognitie. Daarnaast is het een belangrijke doelstelling van het programma om de getrainde vaardigheden te contextualiseren en generaliseren binnen diverse gebieden in het dagelijks leven van de patiënt.


M12.2

TRTC Eindhoven: Een therapeutische gemeenschap voor en door cliënten met ernstige traumagerelateerde stoornissen

Tom Horemans, psychiater, programmamanager Top Referent TraumaCentrum Eindhoven (Nederland), GGzE

 

Door ingrijpende veranderingen in de organisatie en financiering van de zorg in Nederland onderging het Top Referent TraumaCentrum (TRTC) in Eindhoven (Nederland) in 2013 een ingrijpende reorganisatie. Het TRTC wil cliënten die langdurig worstelen met de gevolgen van complexe traumatische ervaringen een behandelomgeving bieden, waarin ze lotgenoten kunnen ontmoeten en waarin ze kunnen werken aan hun herstel. Deze behandeling wordt vanaf 2013 geboden vanuit het kader van een ambulante therapeutische gemeenschap waarbinnen ervaringsdeskundigen een belangrijke rol hebben gekregen.

Binnen de therapeutische gemeenschap wordt een oefenmilieu geboden met georganiseerde groepsmomenten die gericht zijn op het zicht krijgen op de gevolgen van de traumatische ervaringen en de hardnekkige patronen die hieruit voortvloeiden. Vanuit deze bewustwording en met aangereikte vaardigheden kunnen cliënten deze patronen vervolgens gaan veranderen. De trajecten binnen de therapeutische gemeenschap duren minimum twee tot maximum vier jaar. Deze periode is noodzakelijk omdat ervaring leert dat een intensief en langdurig behandeltraject vaak nodig is om de hardnekkige gevolgen van de traumatische ervaringen te veranderen.

Het traject van cliënten binnen het centrum wordt opgevolgd door een behandelverantwoordelijke die samen met de cliënt een zorgplan opstelt en zorgt voor jaarlijkse evaluaties en bijstellingen. De behandeling leidt meestal tot een vermindering van symptomen en klachten en tot een verbetering van de kwaliteit van leven. De behandeling binnen het centrum is langdurig, maar toch afgegrensd in de tijd. Na een jarenlange behandeling zal een voortzetten van de behandeling immers nauwelijks nog verbetering geven. Volledige “genezing” is overigens slechts uitzonderlijk mogelijk aangezien de traumatische ervaringen en de gevolgen het leven vaak gedurende jaren of tientallen jaren hebben beheerst en er een kwetsbaarheid blijft bestaan waardoor gevolgen ook later weer kunnen opspelen.

 

M12.3

Villa Voortman, een ontmoetingsplaats in de stad

Dirk Bryssinck, psycholoog, PC Gent-Sleidinge, Gent

 

Villa Voortman is een laagdrempelig dagcentrum voor ‘zorgwekkende zorgvermijders’ zoals men dat pejoratief omschrijft, binnen de Gentse probleemwijken van Tolhuis-Sluizeken Ham, het Rabot en de Muide. Onze bezoekers omschrijven het zelf als een ontmoetingshuis voor gelijkgestemde zielen of een vrijplaats voor broedende geesten.

Meestal gaat het om mensen met ernstige psychische problemen die ook verslaafd zijn aan allerlei legale of illegale drugs. Wij richten ons voornamelijk op de combinatie verslaving – psychose als meest kwetsbare groep die dikwijls van het kastje naar de muur gestuurd worden. Verder hebben deze mensen ernstige problemen op verschillende levensgebieden: een tekort aan sociale zelfredzaamheid, werkloosheid, slechte woonomgeving of dakloosheid, justitiële problemen (velen staan onder het statuut van de internering), stigmatisering, gebrek aan financiën (vaak onder bewindvoering of budgetbeheer om de schulden te kunnen beheersen) en een slechte lichamelijke verzorging.

In essentie gaat het om het organiseren van gastvrijheid. Er wordt plaats gemaakt voor mensen die anders zijn. Een vrijplaats. Het gaat om het kunnen ontvangen, een ontmoeting mogelijk maken.

Naast gastvrijheid is ‘empowerment’ een belangrijk concept voor sociale inclusie. Empowerment gaat over het versterken en verbinden van personen en organisaties in de samenleving. Empowerment of eigen kracht gaat hand in hand met een gedeelde verantwoordelijkheid. De psychodynamische aanpak legt het accent op het dynamisch karakter van de menselijke ervaring en op de dialoog.

 

M12.4

De Kracht centraal zetten!

Bart Debyser, wetenschappelijk medewerker, Centrum voor Psychiatrie en Psychotherapie, Kliniek Sint-Jozef, Pittem

Anneleen Vanmaele, psychiatrisch verpleegkundige, Jongvolwassenenkliniek, Kliniek Sint-Jozef, Pittem

 

De gezondheidszorg evolueert naar een partnership-model. De herstelgerichte visie wint aan invloed binnen de ggz. Ervaringsdeskundigheid, werken met krachten, stigma-management, aandacht voor inclusie, zelfmanagement en empowerment zijn belangrijke thema' s binnen deze benadering (Higgins A & Mc Bennett 2007). Voor ons als hulpverlener impliceert deze visie 'out of the box' kunnen denken én tegelijkertijd de kwetsbaarheid van onze doelgroep niet uit het oog te verliezen. De opstart van een peer support-groep in 2012 situeert zich binnen dat kader. Jongeren met een herstelverhaal empoweren, zodat ze hun eigen peer-rol op een unieke, persoonlijke én betekenisvolle manier kunnen aanwenden naar andere jongeren toe. Hoop geven aan 'opgenomen' jongeren is dé centrale doelstelling.

 

woensdag 17 september 2014 13u45-15u15

M13. beschouwend_2

moderator: Bob Cools

M13.1

Grondslagen van een spirituele psychotherapie en counseling

Joris Dewispelaere, lector, HUB-KAHO, opleidings- en kenniscentrum Gezinswetenschappen, Schaarbeek

 

Wat we aan een cliënt waarnemen is afhankelijk van hoe we openstaan voor de cliënt. Onderzoek uit de positieve psychologie (Frederickson, 2009) en neurofysiologisch onderzoek van het hart (McCraty, 2009) bevestigen ervaringen uit de mystieke tradities met betrekking tot afstemmen op de kern van een vraag, probleem of klacht. Het hart kan worden gezien en ervaren als een centrum van bewustzijn (Selg, 2012; Zajonc, 2012).

Als therapeut focussen op het ‘denken met het hart’ verdiept de grondhoudingen van empathie, echtheid en onvoorwaardelijkheid en brengt de cliënt tot het ervaren van wat essentieel is in zijn/haar vraag, probleem of klacht. Wat zijn uitgangspunten van een kennisleer die resultaten van psychotherapie-onderzoek en van onderzoek naar mystieke tradities (christelijk, boeddhistisch, islamitisch) kan verbinden? De belangrijkste implicaties voor diagnostisch en therapeutisch handelen (individuele, relatie- en gezinsbegeleiding) worden toegelicht.

 

M13.2

De invloed van de eigen mensvisie op de zorgpraktijk

Bart Van Coillie, hoofd therapie, Openbaar Psychiatrisch  Zorgcentrum, Rekem

 

Ook al is het vaak niet expliciet, iedere zorgverlener heeft een bepaalde mensvisie van waaruit hij een zorgontvanger tegemoet treedt. Aangezien deze mensvisie een invloed heeft op de daadwerkelijk geboden zorg, is het goed zich eerst bewust te worden van de eigen mensvisie. Vervolgens maken we een kritische evaluatie (kwaliteiten en beperkingen) van de zeer verschillende mensvisies (niet louter het resultaat van empirische gegevens) van een aantal vooraanstaande psychotherapeuten: Freud, Lacan, Rogers, Frankl en Watzlawick.

Nadien voeren we een pleidooi voor een open, holistisch mensbeeld om zoveel mogelijk aspecten van het menszijn in rekening te brengen en voor een eclectische benadering van de zorgontvanger (met erkenning van de 'scholen'), om hem zo goed mogelijk te kunnen helpen.

 

M13.3

Filosofische gesprekken en geloof in de gezondheidszorg

Fons Verhoelst, psychotherapeut, filosoof, privé-praktijk, Psychoanalytische en Filosofische Consultatie, Pellenberg

 

Een filosofische en kritische benadering van het christelijk mensbeeld en zijn positieve maar ook negatieve impact op onze gezondheidszorg.

Vertrekkend vanuit de aanname dat de persoonlijke verantwoordelijkheid voor zijn persoonlijk leven de kern is van gezond (en bewust) leven kunnen wij niet anders dan een ernstige confrontatie aan te gaan met de geloofshouding bij onze patiënten. De christelijke geloofsvisie zorgt wel voor een respectvolle kijk op de unieke persoonlijkheid van de mens en stelt de mens verantwoordelijk voor zijn daden maar laat de impact van de natuur als eindverantwoordelijkheid van God te veel een beslissende rol spelen. Dit geloof wordt op deze manier bevoogdend en ongezond. Als we dit onder ogen kunnen en durven zien kunnen wij spreken van een zeer ingrijpende verandering in de geestelijke gezondheidszorg.

Ook de zorg voor de gekwetste mens krijgt dan een heel andere betekenis als een herstel van een onrecht. De relatie hulpverlener - patiënt krijgt dan een heel andere invulling en werkt dan echt bevrijdend en gaat in tegen een bevoogding! Elke mens en elke gemeenschap zal eigen verhalen ontwerpen als een constructieve illusie om houvast te vinden in dit bestaan. Dit sluit aan bij mijn verhaal over "de ontmaskering van de depressie en de depressie als ontmaskering van het goede leven".

Referentie

www.gezondheidspsycholoog.verhoelst.com

 

woensdag 17 september 2014 13u45-15u15

M14. forensische zorg

moderator: Koen Lowet

M14.1

Vijf jaar centra geestelijke gezondheidszorg binnen de gevangenismuren: tijd voor een evaluatie

Ruben van den Ameele, psychotherapeut, teamleider Forensische Zorg, gevangenis Oudenaarde, CGG Eclips, Gent

 

In 2009 startten 10 centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg) een psychotherapeutisch aanbod in de Vlaamse en Brusselse gevangenissen. Dit aanbod kwam tot stand in het kader van het Vlaams Strategisch Plan voor Hulp- en Dienstverlening aan Gedetineerden. Intussen, vijf jaar later, hebben we uitgebreid kunnen ervaren wat geestelijke gezondheidszorg voor gedetineerden kan betekenen. Tijd dus voor een evaluatie.

In deze mededeling wordt het aanbod van cgg Eclips binnen de Oost-Vlaamse gevangenissen (Gent, Dendermonde, Oudenaarde) in beschouwing genomen. Eerst wordt een schets gegeven van het beleidsmatige kader waarin dit aanbod plaatsvindt, van de doelgroep die wordt bereikt en van de manier waarop het cgg-aanbod vorm kreeg binnen de verschillende gevangenissen. Verder wordt ingegaan op de beperkingen waarmee we geconfronteerd worden alsook op mogelijke toekomstige evoluties. Tot slot wordt stilgestaan bij het feit dat de omvang van de psychiatrische problematiek bij de gedetineerdenpopulatie niet in verhouding staat tot de hiervoor voorziene opvang. Dit zet aan tot nadenken over de mate waarin een maatschappij wil of kan investeren in deze veelal zwakke en gemarginaliseerde deelpopulatie van onze samenleving.

 

M14.2

Het toekomstperspectief van de forensische PVT-cliënt: belang en uitdagingen

Steven Degrauwe, therapeutisch coördinator, Forensische PVT, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

 

Het Forensisch Psychiatrisch Verzorgingstehuis (FOR PVT) verschilt in belangrijke mate van de reguliere PVT. Niet alleen is er een verschil in (juridisch) statuut en de complexiteit van de psychiatrische pathologie. In het FOR PVT is de gemiddelde leeftijd aanzienlijk lager dan deze in de reguliere PVT. We constateren dan ook bij deze cliënten een belangrijke vraag naar een zinvolle toekomst en resocialisatiemogelijkheden.

Het forensische traject van het UPC Sint-Kamillus focust zich meer en meer op het Good Lives Model van Tony Ward als het inspirerend rehabilitatiemodel in het werken met cliënten. Dit brengt voor de FOR PVT specifieke uitdagingen met zich mee.

Volgende thema’s worden tijdens de mededeling ontwikkeld:

  • Rouwverwerking: de cliënt ondersteunen in het omgaan met een stapsgewijze, langdurende begeleiding en eventuele verlieservaringen van eigen capaciteiten.
  • Het belang van een toekomstperspectief om te werken aan de eigen problematiek zoals problematisch middelengebruik. Daarbij moet het behandelteam aandacht hebben voor het risico van institutionalisatie en het belang van herstelgericht werken, waarbij de regie van het proces ook bij de cliënt ligt.
  • De beperking om vanuit de FOR PVT nazorg te organiseren voor cliënten die gedurende jaren in dezelfde omgeving verbleven hebben. Een aantal nieuwe initiatieven, zoals de aanstelling van netwerkcoördinatoren en de oprichting van de schakelteams, zouden kunnen bijdragen tot een vlottere overgang van de ene naar de andere zorgvorm.
  • Waar mogelijk en waar wenselijk het installeren van bemiddeling tussen daders en slachtoffers met de hoop het creëren van nieuwe perspectieven voor beide partijen.

 

M14.3

Gedwongen opnames in Limburg, cijfers en bedenkingen

Hendrik Bryon, diensthoofd gedwongen opnames, Werkgroep gedwongen opnames Limburg / Medisch Centrum Sint-Jozef, Munsterbilzen

 

Al vlak na de start van de Wet op de bescherming van de persoon van geesteszieke hebben de vier psychiatrische ziekenhuizen van Vlaams-Limburg nauwkeurig cijfers en gegevens bijgehouden. Voor een groot stuk is deze registratie later ook overgenomen en aangevuld in Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen, ten slotte door de Vlaamse Gemeenschap zelf.

Wij presenteren cijfers over het aantal gedwongen opnames van enkele jaren voor de nieuwe wet, tot op heden.

Wij stellen vast dat het aantal gedwongen opnames spectaculair stijgt, met in 2013 bijna zesmaal het aantal van 1992. Verhoudingsgewijs zijn er meer gedwongen opnames dan in andere Vlaamse provincies. Er zijn ook belangrijke verschillen binnen Limburg zelf, afhankelijk van de gemeente, het parket. Ook het verloop van de procedures verschilt van ziekenhuis tot ziekenhuis. Enkele verklaringen worden hiervoor aangereikt: lokale gewoontes, meer migranten, socio-economische factoren…

Ons inziens worden ook geregeld onterechte  gedwongen opnames  opgestart. Vanuit de werkgroep werd hierom een checklist ontworpen om de geneesheren-deskundigen een houvast te bieden bij het beoordelen van het gevaarcriterium en onderliggende psychopathologie. Deze wordt voorgesteld en besproken.

Tenslotte geven we onze visie over welke crisissituaties en psychopathologie hun plaats hebben binnen de gedwongen opnames, en welke niet. Sommige symptomen, diagnoses, gevaarsituaties, somatische verwikkelingen passen eerder in het justitiële of somatisch geneeskundige circuit. Een algemeen standpunt wordt voorgesteld.

 

M14.4

Bestraffing of begeleiding

Thomas Marquant, psychiater, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

 

We bekijken de plaats van rehabilitatie in forensisch werken, vooral afgezet tegenover bestraffing. Werkt bestraffing? of werkt rehabilitatie? of ligt de waarheid in het midden? wat leert de huidige situatie ons in de wereld?

In de Verenigde Staten, waar de kaart van bestraffing sterk getrokken wordt, zijn de gevolgen zichtbaar: 3,2 % van de Amerikaanse bevolking leeft onder enige vorm van juridisch toezicht. 13% van de zwarte bevolking is niet meer stemgerechtigd. 1 miljoen Amerikanen zitten in de gevangenis en ongeveer 600.000 verlaten de gevangenis elk jaar, terug in de maatschappij. Maar ook in ons land weerklinkt de roep van meer bestraffing steeds meer, denk maar aan de “war on drugs”; of de eis naar nultolerantie. De maatschappelijke relevantie van forensische rehabilitatie is dan ook brandend actueel en verdient meer wetenschappelijke aandacht.

 

woensdag 17 september 2014 13u45-15u15

M15. Psyche en soma

moderator: Marlien De Coen


M15.1

Waarom als kindergastro-enteroloog chronische buikpijn behandelen met hypnose?

Tania Mahler, adjunct kliniekhoofd, Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola, Brussel

 

1 op 10 kinderen wordt geconfronteerd met prikkelbare darmsyndroom of functionele abdominale pijn. Sommige van deze kinderen en adolescenten kunnen niet meer naar school en de pijn wordt een echte handicap! Aan de basis ligt een slechte communicatie tussen de hersenen en de darmen. Verder hebben stress en psychosociale factoren een grote impact.

Een behandeling met medicatie levert volgens meta-analyses weinig voordeel op. Hypnose, daarentegen, geeft een uitgesproken verbetering van de symptomatologie op korte en lange termijn.

Door patiënten inzicht te geven in hun pathologie en het ontstaan van de pijn, verstaan ze hun lichaam beter. Hypnose geeft hun de vaardigheid om met verbeelding veranderingen teweeg te brengen en op te treden als hun “eigen dokter”.

Deze mededeling is bedoeld om eenieder met interesse voor functionele darmstoornissen en hypnose, inzicht te geven in de pathofysiologie, de praktische aanpak en de wetenschappelijke onderbouwing voor het gebruik van hypnose in chronische buikpijn.

 

M15.2

Een concert van 4 hemisferen....hoe therapie met/in hypnose de creativiteit van cliënt en therapeut centraal stelt.

Nicole Ruysschaert, psychiater zelfstandige praktijk, voorzitter Europese Hypnose Vereniging, VHYP, Antwerpen

 

Werken met hypnose binnen psychotherapie stimuleert zelfwerkzaamheid en empowerment van de cliënt. In een interactief proces tussen cliënt en therapeut, kunnen creatieve oplossingen worden gevonden voor soms vastgeroeste toestanden. In deze bijdrage bekijken we de therapeutische interactie in hypnose, de meerwaarde van hypnose in psychotherapie: werken met en in hypnose kan heel wat therapeutische effecten faciliteren op een creatieve manier. We geven een overzicht van enkele specifieke processen die in hypnose geactiveerd worden. U ontdekt hoe cliënten als partners in het interactieproces betrokken worden. Zij ontdekken innerlijke hulpbronnen en via therapeutisch efficiënte zoekprocessen ontstaan nieuwe perspectieven. Via zelfhypnose ontplooien cliënten progressief meer autonomie en controle. Ter illustratie geven we enkele praktische toepassingen van hypnose.

 

M15.3

De caycediaanse sofrologie: mindfullnes vanuit de existentiele fenomenologie

Paul Fivez, klinisch psycholoog, therapeut, Mortsel

 

De Caycediaanse sofrologie (grondlegger dr. Alfonso Caycedo, neuropsychiater) onstond in de jaren zestig. Het uitgangspunt is een reeks oefeningen die gebaseerd zijn op oosterse en westerse technieken van bewustzijn. De achtergrond is de fenomenologische psychiatrie (Binswanger), de hypnotherapie, de analyse (Jungiaans) en diverse vormen van existentiele therapie (focusing, psychosynthese, Buber en cliënt-centered grondhouding).

Het is geëvolueerd tot een breed toepasbare reeks technieken die het biopsychische, sociale en existentiële model aanvullen en vervolledigen.

 

M15.4

Heb ik verkeerd geleefd, scheelt er iets met mij of ben ik gewoon ziek?

Kris Decraemer, psychotherapeute, trainer, Interactie-Academie, Antwerpen

 

Bijdrage teruggetrokken.