16 en 17 september 2014
Antwerpen, Wilrijk - Campus Drie Eiken
Wie ben ik voor u? Mensbeelden in de geestelijke gezondheidszorg

symposia

dinsdag 16 september 2014 11u30-13u00

S01 Mens en psychiatrie: Diogenes of Archimedes?

voorzitter Marc Calmeyn

 

S01.0 Diogenes: ‘ik zoek een (waarachtige) mens’. Archimedes: ‘Eureka, ik heb het gevonden’

Marc Calmeyn, psychiater, PZ Onze-Lieve-Vrouw Brugge; privépraktijk Lelieveld, Loppem

 

Is de hedendaagse psychiatrie schatplichtig aan deze uitspraken: waar is de mens in de psychiatrische theorie en praktijk? Is hij bedolven onder de neurotransmittors en die lege tussenruimtes, synapsen genaamd?

En steeds weer dat hoeramoment als iets nieuws ontdekt wordt: een nieuwe genencombinatie of een nieuw ‘hersenspinsel’. De BMI – de Brain Mind Index (Michel Thys) - van de hedendaagse psychiatrie scoort hoog… in het voordeel van het brein. Het subject, het individu lijkt tussen de mazen van de neuronale netwerken te vallen.

Doel van het symposium is niet zozeer verschillende mensvisies brengen, als wel de mens (opnieuw?) in het vizier van de psychiatrie te plaatsen, en dat de sprekers de kern van hun levenswerk in het licht van voorgaande presenteren.

 

S01.1 De Spirit in therapie

De therapeut en de cliënt als spirituele wezens

Mia Leijssen, hoogleraar psychologie, KU Leuven

 

Wat de mens ten diepste beroert is dat een gespreksonderwerp in therapie? Hoe zou een protocol voor het vinden van het zielpad eruit zien?

In de USA wint spiritueel-georiënteerde therapie veld. Daarmee wordt in feite bevestigd hoe ongewoon het is om de mens als spiritueel wezen te erkennen. Terwijl het volkomen natuurlijk zou kunnen zijn om erkenning te geven aan wat iemand beleeft als bron en bestemming van zijn/haar leven.

 

S01.2 De mens, een gebroken kristal?

De antropopsychiatrische wending

Marc Calmeyn, psychiater, PZ Onze-Lieve-Vrouw Brugge; privépraktijk Lelieveld, Loppem

 

De metafoor van het gebroken kristal – door Freud in 1933 voor het eerst geformuleerd – leidt tot een paradigmaverandering in het denken over de mens verstrikt in zijn pathologie. Het toont niet enkel aan dat (mentale) gezondheid en psychopathologie inherent met elkaar verbonden zijn (‘wie zonder problemen is,…’) maar vooral dat psychopathologie de via regia is om de mens als gebrekkig wezen en de menselijke existentie als problematisch te openbaren en te begrijpen.

Antropopsychiatrie is de theorie en praktijk van deze paradigmaverschuiving. Ook de maatschappij en professionele gemeenschap belangt dit aan gezien dit het taboe op de psychiatrie kan doorbreken.

 

S01.3 Wij zijn een brein in onze Tijd

Dirk De Wachter, diensthoofd systeem- en gezinstherapie, docent, UPC KU Leuven, campus Kortenberg / KULeuven

 

Met deze bijdrage willen we "het Brein in de Tijd" plaatsen, omdat we de splitsing tussen brein (lichaam) en wereld (geest) vals en contraproductief vinden.

We vertrekken van het 'in-de-wereld-zijn' als basisassumptie van ons wezen. Deze abstracte stelling wordt geïllustreerd aan de hand van de opmerkelijke gelijkenis tussen de actuele psychopathologie enerzijds en de maatschappelijke evoluties anderzijds.

We spreken van de Borderline Times, waarin de lijdende mens de wereld spiegelt en de wereld het vooralsnog niet wil weten.

 

S01.4 Humane psychiatrie en de wil-tot-betekenis

Marc Eneman, hoofdgeneesheer, UPC Sint-Kamillus Bierbeek / stafmedewerker patiënten- en bewonerszorg Provincialaat Broeders van Liefde, Gent

 

Vandaag kennen we in de psychiatrie een bloei van de neurowetenschappen: ze zijn fascinerend en brengen ons heel wat vernieuwende inzichten. Een gevaar hierbij kan zijn dat psychiatrie verwordt tot het behandelen van breinen en dat de mens, drager van dit brein, uit het perspectief wegdeemstert. De mens is meer dan een neurobiochemische machinerie, menselijk leven is meer dimensioneel. De nood aan betekenisgeving, de ‘wil-tot-betekenis’, lijkt hierbij de humane dimensie bij uitstek te zijn. Heeft de psychiatrie überhaupt iets te zeggen over de betekenis, de zin van ons bestaan? Hebben we te maken met humane psychiatrie wanneer we evenwichtige aandacht besteden aan de verschillende dimensies van het mens zijn? Of is de dimensie zin/betekenisgeving een toch bijzondere dimensie?

Zinvragen zijn meestal alleen op de achtergrond van ons bestaan aanwezig. In welke omstandigheden kunnen deze achtergrondvragen naar de voorgrond verschuiven en kunnen ze delicaat worden? Hoe kunnen we mensen helpen die lijden onder vragen over de (afwezigheid van) betekenis van hun leven? En wat kan de uitspraak betekenen dat iedere therapie, hoe beperkt ook, tevens existentiële therapie moet zijn?

 

dinsdag 16 september 2014 11u30-13u00

S02 Stand van zaken en nieuwe evoluties in suïcidepreventie in Vlaanderen

voorzitter Gwendolyn Portzky


S02.0 Inleiding

Gwendolyn Portzky, coördinator, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie & Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, UGent

 

Het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP) licht de preventie van suïcide in Vlaanderen toe. Dit wordt gedaan aan de hand van de trends in de Vlaamse cijfers betreffende suïcide– en suïcidepogingen en een stand van zaken van de verschillende acties in het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie.

Vanuit de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek (EZO) worden de actie Postercampagne, die werd ontwikkeld in het kader van deskundigheidsbevordering, en de daaruit vloeiende resultaten besproken.

 

S02.1 Zelfmoordlijn 1813 – telefonische en online crisishulp binnen de portaalsite

Kirsten Pauwels, directrice, Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Brussel

Ekke Muijzers

 

De Zelfmoordlijn beantwoordt ruim 10.000 oproepen per jaar van suïcidale personen, hun omgeving en nabestaanden. Sinds november 2013 is de crisislijn te bereiken op het nummer 1813 en geïntegreerd in de portaalsite www.zelfmoord1813.be. Deskundige vrijwilligers van het Centrum Ter Preventie van Zelfdoding en Tele-Onthaal staan in voor het beantwoorden van de oproepen.

Door de krachten van beide organisaties te bundelen is er geïnvesteerd in de bezetting van de crisislijn. De bereikbaarheid van de lijn is hiermee fors toegenomen. Met de introductie van het online platform Zelfmoord1813 wordt een nieuwe stap gezet in de uitbouw van laagdrempelige zorg, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de noden van de oproepers en meer aansluiting wordt gevonden bij het werkveld.

De komende maanden wordt deze portaalsite verder uitgebouwd tot een online platform waar iedereen met vragen rond zelfdoding terecht kan. In deze bijdrage wordt ingegaan op het belang van telefonische en online crisishulp in het kader van de preventie van zelfdoding, hoe deze vorm van hulp een aanvulling kan vormen op andere hulpverleningsvormen en hoe de ‘good practices’ van crisishulpverlening kunnen worden doorgetrokken naar een breder online platform.

 

S02.2 Suïcidepreventiewerking van de centra voor geestelijke gezondheidszorg

Mercedes Wolters, ondersteuningsfunctie, Suïcidepreventiewerking van de cgg, Gent

 

Eén van de kerndoelen van de suïcidepreventiewerking van de centra geestelijke gezondheidszorg is deskundigheidsbevordering van intermediairen via vorming, coaching, advies en consult. Hiervoor organiseert men al jaren verschillende vormingen rond suïcide(risico) en suïcidepreventie en dit voor verschillende doelgroepen. Daarnaast nemen de cgg hun rol op in het binnen een netwerk realiseren van crisisinterventie binnen de 24 uren. Dit kan verschillende vormen aannemen: een beperkt crisisaanbod voor aanmeldingen met een uitdrukkelijke suïcidale crisis; het (mede)ondernemen van acties zodat er via informele zorg en/of andere dan cgg-zorg hulp wordt geboden en het stimuleren tot of helpen opzetten van zorgtrajecten gericht op crisisinterventie. Een nauwe samenwerking met de andere actoren in suïcidepreventie waaronder Werkgroep Verder, Zorg voor Suïcidepogers en het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventieis hiervoor essentieel. In samenwerking met de Logo‘s werden de voorbije jaren verschillende initiatieven genomen om lokale besturen te sensibiliseren en te betrekken in het streven naar een daling van het aantal suïcides en het verhogen van de interventiemogelijkheden. Het voorbije jaar werd duidelijk geïnvesteerd in een aantal nieuwe ontwikkelingen. Zo werden meer vormingen georganiseerd voor medewerkers die instaan voor de zorg en begeleiding van kinderen en jongeren zoals CLB, kinderpsychiatrische residentiële voorzieningen en kinder- en jongerenteams van de cgg. Het suïcidepreventiedraaiboek voor scholen werd geoptimaliseerd en – waar mogelijk – geïmplementeerd en geëvalueerd. Daarnaast is onderzocht in welke mate een deskundigheidsbevorderend aanbod kan worden geformuleerd voor bedrijven. Vanuit overlegmomenten werd reeds een aantal vormingen georganiseerd. Andere belangrijke nieuwe doelgroepen van de cgg-suïcidepreventiewerking zijn ouderen, Boeren op een Kruispunt en holebi’s en transgenders.

 

S02.3 Preventie van recidieven en suïcides bij de hoog risicogroep van suïcidepogers

Rita Vanhove, coördinator, Zorg voor Suïcidepogers, Lommel

 

Zorg voor suïcidepogers promoot goede praktijken in de opvang van suïcidepogers in samenwerking met de cgg-suïcidepreventiewerking in Vlaanderen. Het is een actie in het kader van het Vlaams Actieplan suïcidepreventie. Algemene ziekenhuizen die zich engageren voor de actie zorgen ervoor dat élke suïcidepoger die zich aanmeldt op de spoedafdeling opgevangen wordt in een uitgestippeld zorgpad. Dit betekent dat zorgprocessen naadloos bij elkaar aansluiten in en buiten het ziekenhuis. Bij élke patiënt gebeurt een deskundige inschatting van risico’s en zorgbehoeften aan de hand van een semi-gestructureerd interview.

Het IPEO-instrument voor psychosociale evaluatie en opvang wordt hierbij gebruikt en geïntegreerd in het zorgpad. Zorgverstrekkers worden getraind om deze tool te gebruiken. Communicatie wordt standaard geregeld. De patiënt en zijn naasten worden aangemoedigd om vast te haken aan vervolgzorg en de huisarts wordt hierbij snel ingeschakeld. De psycho-educatieve folder ‘Als het leven ondraaglijk lijkt… praten helpt’ ondersteunt de patiënt en zijn naasten in zelfzorg. In 2012-2013 werd een evaluatie uitgevoerd van de actie in de deelnemende ziekenhuizen. De resultaten van deze evaluatie worden gepresenteerd en conclusies getrokken. Tevens wordt de actie toegelicht naar zorgverstrekkers in de opvang van jonge suïcidepogers waarbij een aangepast KIPEO-instrument wordt gehanteerd.

 

S02.4 Mediarichtlijnen inzake zelfdoding

Livia Anquinet, coördinator, adjunct-directrice CGG PassAnt, Werkgroep Verder, Halle

Veerle Stevens

 

Onderzoek heeft aangetoond dat de media suïcidaal gedrag zowel kunnen uitlokken als voorkomen. De kwaliteit van berichtgeving over suïcide kan echter positief beïnvloed worden door het gebruik van mediarichtlijnen.

De media hebben een negatieve invloed op suïcidaal gedrag door imitatiegedrag uit te lokken en suïcidaal gedrag te normaliseren. Imitatie van suïcide verwijst naar het kopiëren van het suïcidale gedrag van ‘het model’ op een gelijkaardige manier, plaats, tijdstip of reden. Dit zogenoemde Werther-effect treedt voornamelijk op bij een uitgebreide berichtgeving over de suïcide. Normaliseren betreft het voorstellen van suïcide als een aanvaardbare en courante oplossing bij ernstige moeilijkheden. Vaak gaat dit gepaard met simplistische verklaringen voor het suïcidale gedrag. Berichtgeving over suïcide kan echter ook beschermend werken wanneer zij illustreert hoe anderen ernstige moeilijkheden het hoofd bieden en wanneer zij alternatieven voor suïcide biedt. Dit positieve, preventieve effect van de media noemt men het Papageno-effect. Bovenstaande bevindingen werden door Werkgroep Verder opgenomen in de mediarichtlijnen inzake zelfdoding. Zij worden door de overheid en suïcidehulpverlening sterk aanbevolen. De richtlijnen omvatten drie pijlers. De eerste pijler is het geven van betrouwbare informatie over cijfers en het profiel van suïcidale personen. De complexiteit aan de basis van suïcide moet steeds benoemd worden. De tweede pijler is het geven van hoop door mensen te informeren over de oorzaken van suïcide en over de mogelijke behandelmogelijkheden. Tot slot richt de derde pijler zich op het beperken van het bereik en de hoeveelheid van de berichtgeving.

 

dinsdag 16 september 2014 11u30-13u00

S03 Arbeid voor mensen met psychische kwetsbaarheid

voorzitter: nog te bepalen


S03.1 Compool: een innovatieve vorm van arbeidsorganisatie voor mensen met psychische kwetsbaarheid

Inge Neyens, senior onderzoeker, LUCAS, KU Leuven
Inleiding

In het ESF-project Compool ontwikkelen we een vernieuwde tewerkstellingsvorm voor personen met psychische kwetsbaarheid. Voor personen die beslissen om tijdelijk uit de job te stappen, wordt iemand anders uit de pool ingeschakeld om het werk verder te zetten. Op deze manier krijgt de werkgever de garantie dat het werk tijdig af geraakt. De werknemer van zijn kant krijgt de mogelijkheid om tijdelijk een rustpauze in te lassen zonder vrees voor jobverlies.

Methode

Een eerste fase van het onderzoek gaat na welke factoren de kans op slagen van Compool beïnvloeden. Dit gebeurt aan de hand van een veertigtal semi-gestructureerde interviews met mensen met psychische kwetsbaarheid, arbeidsbegeleiders, hr-deskundigen, arbeidsrechtelijk experten en verantwoordelijken van gelijkaardige (pool)systemen (vb. het poolsysteem van de havenarbeiders).

Resultaten en implementatie

Belangrijke determinanten zijn o.a. de extra inwerktijd die de werkgever dient te voorzien, stigmatisering, competenties van de Compoolwerknemers zelf (zoals flexibiliteit, het durven aangeven van grenzen), competenties van leidinggevenden (zoals werkaanpassingen zoeken, structuur aanbieden, free riding aanpakken). In de tweede fase van het onderzoek wordt Compool geïmplementeerd. Deze fase zal plaatsvinden in de periode van januari tot juli 2014 bij de huishoudhulpdienst van OCMW Brugge. Aan de hand van tevredenheids- en absenteïsme-metingen vóór en na de testcase en interviews over het implementatieproces, bestuderen we de uitkomsten en het verloop van deze eerste test.

 

S03.2 De arbeidswens van patiënten en hun begeleiders in psychiatrische ziekenhuizen

Jeroen Knaeps, onderzoeker, LUCAS KU Leuven

Bart Coopman, Jobcentrum

Magda Cuvelier, Jobcentrum

Nele Smissaert, Jobcentrum

Chantal Van Audenhove, LUCAS, KU Leuven

 

Inleiding

Bij de arbeidsre-integratie van personen met ernstige psychische problemen, is het cruciaal dat men rekening houdt met de voorkeuren van de patiënt. Wanneer de begeleider en patiënt andere doelen vooropstellen, kan dit leiden tot minder geïntegreerde behandelplannen. Dit onderzoek gaat na in welke mate de arbeidsdoelen van de psychiatrische patiënt overeenkomen met wat volgens de begeleider mogelijk is voor de patiënt.

Methode

De zeven deelnemende psychiatrische ziekenhuizen verdeelden vragenlijsten onder 1.215 patiënten en hun begeleiders. Uiteindelijk werden 805 vragenlijsten door patiënten en 1.069 vragenlijsten door begeleiders ingevuld. De data werd geanalyseerd via ANOVA en logistische regressieanalyse. De congruentie tussen de arbeidsdoelen van de patiënt en die van de begeleider werd nagegaan via de Bowker’s symmetrietest.

Voorlopige resultaten en conclusies

Ongeveer de helft van de patiënten wil (ooit) nog een reguliere job uitoefenen. Patiënten die geen reguliere job verkiezen, hebben vooral interesse in vrijwilligerswerk en activiteiten binnen een dagactiviteitencentrum. Begeleiders stellen minder vaak dan hun patiënt een reguliere job in het vooruitzicht en kiezen meer voor vrijwilligerswerk en dagactiviteitencentra. Er bestaat daarbij weinig afstemming tussen de voorkeuren van de patiënt en de doelen die de begeleiders vooropstellen. Het is belangrijk dat begeleiders de arbeidsdoelen van patiënten bevragen, de opties bespreken en de wens van de patiënt erkennen zodat een gezamenlijk plan uitgewerkt kan worden.

 

S03.3 Werk Werkt!-model: intersectorale samenwerking rond arbeidsre-integratie

Jeroen Knaeps, onderzoeker, LUCAS KU Leuven

Babs Roex

Toon Derison

Jo Uytterhoeven

Evelien Ameloot

Lut Gailly, expert doelgroep MMPP, VDAB, Brussel

Chantal Van Audenhove, LUCAS, KU Leuven

 

Veel personen met ernstige psychische problemen hebben moeilijkheden om een job of opleiding te vinden en te behouden. De huidige begeleidingen zijn immers niet altijd afgestemd op de noden van de doelgroep en het cyclische karakter van een psychiatrische problematiek. De OESO benadrukt daarnaast dat de verschillende sectoren meer dienen samen te werken om tot succesvolle arbeidsre-integratie te komen. Het Werk Werkt!-model dat voorgesteld wordt, komt aan deze noden tegemoet.

Het model kwam tot stand in een partnerschap van organisaties uit verschillende sectoren. Het is gebaseerd op de evidence-based practice van Supported Employment. Daarnaast omvat het model ook duidelijke rollen en communicatiestructuren voor intensere intersectorale samenwerking en is het afgestemd op de huidige Vlaamse situatie.

Binnen het Werk Werkt!-model werken de arbeidstherapeut en de arbeidsspecialist samen over de grenzen van de eigen organisaties heen, hoewel men elk zijn duidelijk omschreven rol heeft. Men focust nog intenser op de voorkeur van de persoon en op snelle acties gericht op regulier werk. De functies en taken van de arbeidstherapeut en arbeidsspecialist werden gebaseerd op andere Europese projecten, onderzoek en de Vlaamse context. Het model is verder verfijnd via de implementatie in het cgg Ahasverus (Asse-Vilvoorde).

Het resultaat is een model dat inspiratie biedt om nieuwe samenwerkingsverbanden aan te gaan. De Supported Employment-principes en nieuwe rollen van de arbeidstherapeut en arbeidsspecialist kunnen worden toegepast binnen o.a. de RIZIV-revalidatiecentra, w²-werkvormen en mobiele teams.

 

dinsdag 16 september 2014 11u30-13u00

S04 Familie is onmiskenbaar een partner in de zorg, voor u ook?

Hilde Vanderlinden, projectmedewerker Familieplatform

 

Resultaten van een bevraging over ontwikkeling van familiebeleid in zorgvoorzieningen en netwerken: ontwikkelingsproces,randvoorwaarden en goede praktijken

De vermaatschappelijking van de zorg voor mensen met geestelijke gezondheidsproblemen is vanuit het familieperspectief een goede zaak: ze biedt kansen om zowel voor de patiënt als zijn omgeving betere voorwaarden te creëren om tot “herstel” te komen. Familie en naastbetrokkenen komen hierdoor meer in beeld: veel patiënten zullen meer aangewezen zijn op het thuismilieu voor het herstelproces en families krijgen hierdoor andere rollen en taken. Om dit mogelijk te maken moeten er wel randvoorwaarden vervuld worden.

Deze recente evoluties hebben o.m. de oprichting en de doelstellingen van een Familieplatform

Geestelijke Gezondheid (FGG) mee beïnvloed en verantwoord. Het Familieplatform lanceerde in 2013 een project om in samenwerking met een aantal zorgvoorzieningen deze randvoorwaarden nader te onderzoeken en een wenselijk en haalbaar antwoord te formuleren via een model/gids (met praktijkmethodieken) voor familiebeleid dat overeenstemt met de vernieuwde visie op vermaatschappelijking van zorg met participatie van gebruikers en familie.

Het is immers onze overtuiging dat familieparticipatie slechts volwaardig kan gerealiseerd worden als dit structureel ingebouwd wordt in een zorgorganisatie en deel uitmaakt van het beleid van die organisatie.

 

S04.0 Inleiding

Koen De Maeseneir, coördinator Familieplatform geestelijke gezondheid

 

S04.1 Mantelzorgers hebben zelden rust…..Herstellen doe je niet alleen

Leen, familie-ervaringsdeskundige en familievertegenwoordiger in netwerk PSY107 Reling

 

Sterke mantelzorgers zijn een belangrijke factor voor een succesvol herstelproces. Mantelzorgers verwachten erkenning van hun ervaring en inzet. Zij zijn waardevolle partners in de zorg maar hebben hiervoor ook ondersteuning nodig.

 

S04.2 Verantwoording voor familiebeleid in ggz vanuit wetenschappelijk onderzoek en voorlopige resultaten van een semi-gestructureerd interview in enkele ggz-voorzieningen

Hilde Vanderlinden, projectmedewerker Familieplatform

 

Recente wetenschappelijk onderzoeken bevestigen dat familieparticipatie een gunstige invloed heeft op het herstelproces van de cliënt. Familieorganisaties leren ons daarnaast dat er zeer veel verschillen zijn in de aard en de intensiteit van de contacten tussen families en zorgverleners al naargelang de voorziening waarin men terecht komt. De verschillen situeren zich enerzijds op het niveau van de zorgaanbieders, m.n. de volwassenenzorg, de zorg voor kinderen en jongeren, de ouderenzorg met daarbinnen ook de verschillen tussen residentiële zorg, ambulante zorg en thuiszorg. Op het niveau van de zorgvrager en zijn/haar familie merken we verschillen in de ervaringen omtrent de afstemming van het aanbod op de vragen en noden van de familie. Families signaleren prioritair een gebrek aan informatie en ondersteuning en verwachten meer samenwerking en continuïteit in het zorgtraject. Deze vaststellingen en ervaringen vormen het vertrekpunt van ons project.

We hebben directies en medewerkers bevraagd via een kleine steekproef in enkele Vlaamse ziekenhuizen, een 107-netwerk, een centrum voor verslavingszorg en enkele woonzorgcentra voor personen met dementie.

De bevraging peilt naar de huidige stand van zaken van familieparticipatie in de voorziening: visie, beleid en praktijken, op het vlak van bejegening, informatieverstrekking, actieve betrokkenheid en ondersteuning van familie. Daarnaast verkennen we de behoefte aan verdere ontwikkeling van een familiebeleid met de daaraan verbonden randvoorwaarden. Wat is voor hen een wenselijk en haalbaar familiebeleid? Wie en wat kan hierbij helpen?

 

S04.3 Presentatie van enkele goede praktijken inzake familieparticipatie

Kathy De Bremaeker, familiebegeleider De Spiegel, Kessel-Lo

Sabine Buntinckx, clustermanager landurige zorg & acute zorg, OPZC Rekem

Mariska Christiaenen, mobiel team,Leuven-Tervuren

 

Met de verdere extramuralisering is voldoende aandacht voor familie onontbeerlijk, voor hun draagkracht en rol bij zorg, zowel bij intramurale zorg als bij mobiele teams: stappen en succesfactoren in de concrete ontwikkeling van initiatieven gedragen door een uitgesproken beleidsvisie.

 

S04.4 Randvoorwaarden en aanbevelingen inzake ontwikkeling van familiebeleid binnen geestelijke gezondheidszorg

Hilde Vanderlinden, projectmedewerker Familieplatform

 

Maatschappelijke ontwikkelingen, mensbeelden en beleidsvisies, organisatievormen, ethische kwesties, financiering, kennis, zorgopleidingen en familiale omstandigheden zijn bepalende factoren voor het al dan niet succesvol realiseren van familieparticipatie. Verdere uitdieping van en inwerken op deze factoren, samen met alle relevante partners, zijn absolute voorwaarden voor een goede ontwikkeling van familieparticipatie. Het Familieplatform wil verder expertise ontwikkelen en samenwerken met alle relevante partners voor de verdere ontwikkeling van modellen voor familiebeleid in geestelijke gezondheidszorg.


dinsdag 16 september 2014 11u30-13u00

S05 Rustige ruiters, hevige hengsten: de verslavingszorg in galop

voorzitter Els Santens

 

S05.0 Inleiding

Els Santens, psychiater, ontwenningsafdeling Ter Dennen, PK Broeders Alexianen, Tienen

 

Afhankelijkheidsproblemen en middelenmisbruik vormen samen met depressieve stoornissen en angststoornissen de meest voorkomende psychiatrische problematieken in onze samenleving. Ondanks bewezen effectiviteit van bv. cognitief–gedragstherapeutische therapieën hervalt ongeveer 50% van de patiënten in problematisch middelengebruik. Uit onderzoek blijkt dat impulsiviteit bij alcoholgebruikers een belangrijke risicofactor is voor minder goede therapietrouw en drop-out, minder goede uitkomsten en herval.

In deze context stellen wij de voorlopige onderzoeksresultaten voorvan een exploratief onderzoek naar neuropsychologische interventies bij patiënten met een afhankelijkheidsproblematiek met focus op impulsiviteit alsook een therapeutische interventie R-Impuls (Regulatie van Impulsen), gebaseerd op de ruiter-paardmetafoor van Reinout Wiers. De derde bijdrage gaat over de meerwaarde van integratie van ACT en mindfulness in ons therapeutisch aanbod op de ontwenningsafdeling.

 

S05.1 Exploratief onderzoek naar neuropsychologische interventies bij patiënten met een afhankelijkheidsproblematiek: focus op impulsiviteit

Els Santens, psychiater, ontwenningsafdeling Ter Dennen, PK Broeders Alexianen, Tienen

 

In dit onderzoek leggen we de link met de neuropsychologische benadering van het begrip impulsiviteit. Hierbij wordt impulsiviteit gezien als een gebrek aan cognitieve controle of een uit balans zijn van top-down cognitieve controlesystemen en bottom-up gestuurde gewoontes en drijfveren. We gaan na in hoeverre de reinforcement sensitivity theory van Gray, waarbij gesteld wordt dat gedrag geleid wordt door twee complementaire neurobiologische motivatiesystemen, zijnde het Behavioral Inhibition Systeem (BIS) en het Behavioral Activation Systeem (BAS) kan toegepast worden in het kader van indelen van patiëntengroepen op basis van impulsiviteit.

 

S05.2 R-Impuls: therapiesessie ter regulatie van impulsen, gebaseerd op de ruiter-paardmetafoor van Reinout Wiers

Rudi Vanmarsenille, diensthoofd psychomotore therapie, PK Broeders Alexianen, Tienen

 

Duale procesmodellen stellen dat alcohol- en druggebruik niet alleen gestuurd wordt door bewuste, gecontroleerde overwegingen, (het reflectieve systeem) maar ook deels door automatische processen (impulsieve systeem) die hun invloed op gedrag uitoefenen buiten de bewuste controle. Een metafoor om deze twee systemen te beschrijven is die van een ruiter en een paard, waarbij het impulsieve systeem het paard is dat uiteindelijk voor actie zorgt, gestuurd door de ruiter, die de langetermijnkoers in de gaten houdt. Deze metafoor wordt gebruikt in de therapiesessie om de rol van automatische processen naast bewuste gecontroleerde processen duidelijk te maken aan de patiënten.

Deze therapiemodule bestaat uit 8 sessies (2 x 4 thema’s): lichaam, aandacht, impulsiviteit en integratie. Via ervaringsoefeningen en psychomotore opdrachten helpen we patiënten meer bewust te worden van hun lichaamsbeleving en -gewaarwordingen, automatische aandachtsprocessen en impulsiviteit, onder andere inhibitie van automatische gedragsresponsen. Er volgt steeds een nabespreking op de oefeningen om de link te maken met het dagelijkse leven en hun middelengebruik.

Referenties

Wiers, R. (2008). Slaaf van het onbewuste. Over emotie, bewustzijn en verslaving. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker

Wiers, R. (2013). Grip op je problemen. Cognitieve training bij verslaving en angst. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker

 

S05.3 Acceptance and Commitment Therapy en verslaving

Herman Hacour, therapiecoördinator, ontwenningsafdeling Ter Dennen, PK Broeders Alexianen, Tienen

 

God, schenk me de kalmte om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen, de moed om te veranderen wat ik kan veranderen, en de wijsheid om het verschil hiertussen te zien, om één dag tegelijk te leven, om één moment tegelijk te genieten, om moeilijke tijden te accepteren als een pad naar de vrede.”

Dit sereniteitsgebed van de hand van de Amerikaanse theoloog Karl Paul Reinhold Niebuhr werd nog vóór hij het officieel publiceerde geadopteerd door de AA-beweging en heeft tot op heden een voorname plaats in elk 12-stappenprogramma. En hoewel dit gebed blijkbaar voor menige verslaafde een zinvolle steun betekent, roept het religieuze karakter bij vele anderen, zowel verslaafden als hulpverleners, weerstand op.

Merkwaardig dat net vanuit één van de meest wetenschappelijk onderbouwde therapiestromingen, de gedragstherapie, evidentie wordt geleverd voor de therapeutische kracht van dit gebed. Niemand kan immers ontkennen dat de principes van de Acceptance and Commitment Therapy, wellicht toevallig, er als het ware een blauwdruk van zijn: ruimte maken voor lastige gevoelens, toewijding aan een waardevol leven, loslaten van nutteloze gedachten, contact met het hier en nu.

In deze bijdrage wordt toegelicht hoe deze principes een plaats krijgen in een kort residentieel programma voor mensen met middelengerelateerde stoornissen.

 

dinsdag 16 september 2014 11u30-13u00

S06 De mens achter de patiënt, op papier en in beeld

voorzitter Katleen Hoing

 

S06.0 Inleiding

Katleen Hoing, stafmedewerker kwaliteit & studie, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

 

In de gekende ggz-evolutie van behandeling naar herstel en van aanbod- naar vraaggestuurd, wilden wij de patiënten meer betrekken, zowel op beleidsniveau, als in therapie. Daarom deden we een uitgebreide enquête bij alle patiënten, werden de therapeutische visie en het therapie-aanbod aangepast en vonden vernieuwde therapievormen hun ingang zoals ‘pixels in beeld’ en ‘fietstechniek’.

We lichten eerst de enquête toe, gevolgd door de therapeutische visie. De collega’s van de ergotherapie stellen tot slot elk een vernieuwde therapievorm voor.

 

S06.1 Therapie-bevraging: wat vinden de patiënten?

Katleen Hoing, stafmedewerker kwaliteit & studie, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

 

De staf kwaliteit ontwikkelde in samenspraak met de therapeuten een interne vragenlijst met als doel zo nauwkeurig mogelijk te weten te komen wat mensen van het aanbod vinden, wat er voor verandering vatbaar is en wat ze nog graag toegevoegd zouden zien. 82% van de patiënten vulde deze enquête in.

Uit de resultaten leren we dat patiënten over het algemeen tevreden zijn over het aanbod dat ze krijgen. Opvallend is dat patiënten zich vaak voelen falen en dat ze vragen naar therapieën die laagdrempelig zijn en het gevoel geven ‘wel nog iets te kunnen’. Bovendien willen ze meer praktische en/of arbeidsgerichte vaardigheden leren. Ze zoeken hoop en empowerment. Dan is herstelgerichte zorg niet meer veraf.

 

S06.2 Nieuwe therapeutische visie

Elke Daelman, stafmedewerker paramedische functies, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

 

De conclusies van de therapiebevraging sluiten aan bij de vraag naar meer zorg op maat van verschillende teamleden tijdens denksessies. De bevindingen sluiten ook aan bij wat we in de literatuur kunnen terugvinden als herstelgericht werken. Dat alles gaf ons voldoende stof om een vernieuwde therapeutische visie te ontwikkelen rond twee basisprincipes nl. een patiëntgerichte benadering en een onderhandelingsgestuurd aanbod.

In een eerste fase van het patiëntgericht therapieprogramma krijgen patiënten een basisprogramma aangeboden dat beantwoordt aan basisbehoeften en praktische vaardigheden. In een tweede fase bereidt de patiënt zich voor op een leven buiten het ziekenhuis aan de hand van de uitbouw van een dagstructuur, woonst, vrije tijd, werk en inzicht in de problematiek. In een derde fase komen meer geïndividualiseerde therapie en modulewerking aan bod. In elke fase van de behandeling treedt de hulpverlener op als sociotherapeut waarbij het aanbod voor de patiënt telkens verfijnd en gedifferentieerd wordt op basis van diens noden.

 

S06.3 Pixels in beeld

Hedwig Thibaut, ergotherapeut, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

 

Uit de therapiebevraging leren we dat patiënten willen gevalideerd worden in hun mogelijkheden. In de therapie Pixels in Beeld komen net thema’s als empowerment, emancipatie, participatie, identiteit, integratie en zelfzorg op een unieke manier aan bod. Het inzetten van fotografie en foto’s in therapie is niet nieuw. Wel vormt het een uitdaging om het werken met foto’s verder te exploreren in de maatschappij, die de laatste jaren visueel en technologisch sterk is veranderd.

Werken met foto’s en fotografie helpt om op een hedendaagse en validerende manier persoonlijke thema’s hanteerbaar te maken, zaken een plaats te geven, controle te krijgen over gevoelens en over het leven. Binnen herstelgerichte zorg is Pixels in Beeld een krachtig medium om in te zetten.

 

S06.4 Fietstechniek

Johan Willems, ergotherapeut, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

 

Ook praktische en arbeidsgerichte vaardigheden werden in de therapiebevraging aangehaald door patiënten. In de nieuwe therapie Fietstechniek onderhouden en herstellen patiënten fietsen en fietsonderdelen. Tijdens de sessies wordt gefocust op praktische kennis, maar ook op het toepassen van vaardigheden die op een ander terrein waardevol zijn, zoals probleemoplossend denken, beslissingen nemen en sociale vaardigheden oefenen.

In de methodiek wordt vertrokken van de aanwezige vaardigheden en wordt getracht deze te maximaliseren op zodanige wijze dat patiënten het veranderingsproces zelf mee aansturen en realiseren. Voor sommige patiënten kan deze therapie in aanmerking komen als voorbereiding tot werkhervatting. Hiermee is Fietstechniek eveneens een sprekend voorbeeld van herstelgericht werken in het APZ Sint-Lucia.

 

dinsdag 16 september 2014 14u00-15u30

S07 Feedbackgericht behandelen vanuit een voortdurend streven naar kwaliteit

voorzitter Marlien De Coen

 

S07.0 Inleiding

Marlien De Coen, stafmedewerker, VVGG, Gent

 

Het ligt in de aard van een ggz-behandelaar om personen met een psychische problematiek zo goed mogelijk te willen behandelen. Het is echter niet altijd even duidelijk hoe men dit het best aanpakt. Heel wat factoren dragen bij aan de kwaliteit van een behandeling. Zo blijken voornamelijk de niet-therapie-specifieke of gemeenschappelijke factoren een grote rol te spelen. Daarenboven zitten we in een tijdperk waarbij de cliënt geen loutere ontvanger is van therapie maar tevens een mondige cliënt met individuele wensen en noden. Zorg op maat zal dan ook belangrijk zijn.

Het model rond feedbackgerichte behandeling neemt beide bovenstaande bevindingen in acht.Feedbackgerichte behandeling is namelijk een theorie-overschrijdende benadering voor het evalueren en verbeteren van de kwaliteit en effectiviteit van gezondheidszorginstellingen en –behandelingen, die de patiënt centraal gaat stellen. Hiervoor gaat men bij de cliënt peilen naar feedback over zijn of haar behandeling. Uit onderzoek blijkt namelijk dat deze vorm van behandelen veel voordelen met zich meebrengt(o.a. effectiviteit van behandelingen stijgt; therapeutische relatie verbetert; risico op drop-out en negatieve uitkomsten vermindert; en therapeutische reflectie wordt bevorderd) en het bovendien op zichzelf een hoofdfactor van therapeutische verandering is. Kortom, je kan je als behandelaar door je cliënten laten ondersteunen, om zo een nog betere behandelaar te worden.

Tijdens dit symposium wordt dieper ingegaan op het model rond feedbackgericht behandelen.Hiervoor wordt er een brug geslagen tussen de bevindingen uit wetenschappelijk onderzoek en ervaringen uit de dagelijkse klinische praktijk.

 

S07.1 Feedbackgerichte behandelingen binnen kwaliteitsvolle zorg

Eva Dierckx, neuropsychologe, postdoctoraal onderzoeker, faculteit psychologie en educatiewetenschappen, VU Brussel / Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen, Tienen

 

Een gangbaar onderdeel binnen kwaliteitsvolle zorg in de ggz is het in kaart brengen van de effectiviteit van een behandeling. In Nederland wordt hiervoor vaak gerefereerd naar het zogenaamde ROMMEN. De herhaalde metingen kunnen inde klinische praktijk echter ook van groot belang zijn om de kwaliteit van de behandeling voor elke individuele patiënt te vergroten. De resultaten van herhaalde metingen kunnen immers gehanteerd worden als een vorm van feedback voor zowel de individuele patiënt als de therapeuten, afdelingsteams en beleid.

Op het niveau van de individuele patiënt kan het monitoren van de voortgang van het behandelproces motiverend werken en inzicht geven in verdere behandeldoelen. Voor wat de therapeuten betreft kan inzicht in het eventueel uitblijven van het verwachte resultaat een stimulans of teken zijn tot aanpassing van de behandeling. Wanneer gegevens op groepsniveau geanalyseerd worden, kunnen de bekomen resultaten sturing geven aan afdelingsteams, beleidsmensen en onderzoekers. Het vergaren van cijfers kan m.a.w. veel meer betekenen dan alleen maar meten, zeker wanneer ze in behandelingsprocessen gehanteerd worden op een feedbackgerichte manier.

In deze bijdrage worden een aantal praktijkvoorbeelden aangehaald vanuit de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen Tienen. Het aspect “feedback kan inzicht geven voor zowel patiënt als therapeut” wordt belicht d.m.v. een casus; de mogelijkheden van feedback van resultaten van groepsanalyses voor afdelingsteams wordt geïllustreerd a.h.v. mini-onderzoekjes als voedingsbodem voor evidence-based behandelingen. Ten slotte wordt ingegaan op het genereren van cijfers als feedback voor academici.

 

S07.2 Mogelijkheden en valkuilen van een meer expliciete feedbackcultuur in therapie

Nele Stinckens, professor, KU Leuven

 

Monitoring in psychotherapie is in wezen niet meer dan het installeren van een bewust feedbackmechanisme, waarbij relevante informatie systematisch en frequent wordt ingezameld, ter beschikking gesteld en benut om wenselijke en wezenlijke veranderingen bij cliënten te verwezenlijken.Maar dat het installeren van een feedbackcultuur simpelweg en eenduidig tot het gewenste effect zou leiden, is een al te naïeve opvatting.Hulpverleners dienen zich te verhouden met tal van uitdagingen wanneer ze pogen om via monitoring de vinger aan de pols te houden van wat zich in het therapieproces ontvouwt. Zo moeten ze onder andere voorkomen dat er parallelle circuits ontstaan waarbij cliënten de meetinstrumenten gaan gebruiken om informatie mee te delen die ze in het hier-en-nu contact niet kwijt kunnen. Dit risico is des te reëler bij cliënten die niet gewend zijn om rechtstreeks hun mening te geven of die angstig zijn voor eventuele veroordeling of afwijzing door de hulpverlener. In deze bijdrage wordt een illustratief videofragment getoond en wordt met het publiek gediscussieerd over valkuilen en mogelijkheden van een meer expliciete feedbackcultuur.

 

S07.3 Feedbackgericht werken

Griet Gobyn, psycholoog, PZ Onze Lieve Vrouw, Brugge

 

Ineen eerste theoretisch luik wordt aangetoond dat feedbackgerichtwerken, groeien betekent, zowel voor de cliënt als voor de therapeut. In verband met de groei van de cliënt kunnen we heel wat argumenten opsommen. Ten eerste is het zo dat feedbackgericht werken zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de participatie van de cliënt verhoogt:het geeft de cliënten meer stem, meer verantwoordelijkheid en het leert hen ook dat hun mening belangrijk is. Op de tweede plaats denken we nog eens terug aan het algemeen gekende onderzoek van Lambert waaruit blijkt dat er geen verschillen zijn in effectiviteit van de verschillende therapiestromingen. Wat echter wel duidelijk is, is dat de relatie met de therapeut en de bekwaamheid van de therapeut determinerend zijn. Door de cliënten rechtstreeks te vragen hoe zij de relatie met de therapeut ervaren, wordt de alliantie bespreekbaar en kan deze bijgestuurd worden waar nodig. Op die manier wordt de kans op effectiviteit ook vergroot.Ten derde is het ook zo dat uit meta-onderzoek van Duncan (2010)gebleken is dat therapie meest efficiënt is, wanneer die voldoet aan de verwachtingen en voorkeuren van de cliënt. Uit datzelfde onderzoek blijken ook duidelijke feedback-effecten. De groei van de therapeut ligtvoor de hand: feedback over onze stijl van werken, over hoe cliënten ons ervaren, zal, indien wenselijk, tot bijsturing leiden. Als we als therapeut beter worden in het aangaan van een band met de cliënt, worden we ook effectiever. Bovendien zullen we er als therapeut in slagen om mensen sneller en gerichter te gaan helpen en diegene waar de gewenste progressie niet bereikt wordt, vlugger te detecteren.

Ineen tweede, eerder praktisch deel, wordt aangetoond hoe met feedback kan gewerkt worden, in het bijzonder over ervaringen met de TUM.

 

S07.4 Feedback in een behandeling : meer dan klantenbinding!?

Jan Callens, psycholoog, PZ Sint-Jozef, Pittem

 

Steeds meer wordt duidelijk dat ruimte voor feedback tijdens een behandeling empowerend is voor de cliënt, die immers aangesproken wordt in zijn hoedanigheid van gewaardeerde beoordelaar en wiens oordeel er dan ook toe doet.

In deze praktijkbijdrage pogen we vanuit de concrete behandelpraktijk de groei en roep naar feedback te schetsen en er de mogelijkheden en valkuilen van te belichten.


dinsdag 16 september 2014 14u00-15u30

S08 Het Leuvens Model van de Urgentiepsychiatrie 1998-2013

voorzitter Ronny Bruffaerts

 

In de Universitaire Ziekenhuizen van Leuven werd vanaf 1998 een urgentiepsychiatrisch aanbod ontwikkeld, bestaande uit een crisiswerking op de algemene spoedgevallendienst (1998: Epsi-spoed), een kleinschalige crisiseenheid (2002: Epsi-unit) en een follow-up consultatie (Epsi-consultatie). In 2011 werd in het kader van artikel 107 van de ziekenhuiswet de bestaande urgente werking aangevuld met een Mobiel Crisisteam (2a-functie). De locus van zorgverlening werd daardoor definitief verlegd van het instituut naar de gemeenschap, van intramuraal naar ambulant. Ons streefdoel blijft een op maat gesneden, continue zorg te garanderen voor elke patiënt en een spilfiguur te zijn in een groot psychiatrisch netwerk dat in de gemeenschap geïntegreerd is.

In dit symposium belichten we een aantal facetten van de Leuvense crisiswerking en we sluiten af met suggesties voor een duurzame toekomstvisie.

 

S08.0 Ontwikkeling en geschiedenis van de urgentiepsychiatrie te Leuven

Ronny Bruffaerts, professor, UPC KU Leuven

 

In de introductie wordt vooral met epidemiologische data geïllustreerd in welke mate de Leuvense urgentiepsychiatrie sinds 1998 deel is gaan uitmaken van het psychiatrisch behandelaanbod binnen de regio Vlaams-Brabant. Aan de hand van deze epidemiologische data kaderen we de rol en de plaats van de urgente psychiatrie tegen de achtergrond van de zich sterk wijzigende geestelijke gezondheidszorg.

 

S08.1 De organisatie en structuur van de Leuvense urgentiepsychiatrie anno 2013

Tom Prenen, hoofdverpleegkundige, UPC KU Leuven

 

De urgente psychiatrie in en rond Leuven kan worden opgevat als een psychiatrisch netwerk bestaande uit drie specifieke werkingsmodaliteiten of modules (een psychiatrische equipe op de dienst spoedgevallen, een opname-afdeling en een mobiele equipe die aan huis crises behandelt) die elk compatibel en complementair zijn en toch vertrekken vanuit één visie met betrekking tot crisis. Met een caseload van ongeveer 2.000 patiënten per jaar zijn eenduidigheid in visie, behandelbeleid en netwerking van groot belang.

In deze bijdrage tonen we aan hoe en op welke wijze deze drie modules op mekaar zijn afgestemd, op mekaar aansluiten en hoe elk van deze modaliteiten hun eigenheid hebben in het multidisciplinaire crisismodel.

 

S08.2 Multidisciplinair werken binnen de urgente psychiatrie: state-of-the-art en reflecties voor de toekomst

Jeroen Decoster, psychiater, UPC KU Leuven

 

In deze presentatie heeft het multidisciplinair werken in een urgente psychiatrische setting de aandacht en vooral de evolutie hierin tussen 1998 en 2013. We zullen ingaan op een aantal specifieke psychologische en verpleegkundige taken maar vooral de rol van de medische functie zal iets uitgebreider worden besproken. In de urgente psychiatrie kent de medische functie immers een aantal specifieke accenten. Op het klinische niveau is het bijvoorbeeld niet zozeer de psychische stoornis maar eerder de crisis die op de voorgrond treedt bij het beoordelen van de patiënt.

We bespreken ook de rol van de psychiater op het niveau van de organisatie. Met de ontwikkeling van de mobiele crisisteams is immers de taak en rol van de psychiater anders gearticuleerd dan binnen een intramurale setting. We sluiten af met een aantal reflecties over de rol van de psychiater op het beleidsniveau en een aantal aandachtspunten voor een duurzame toekomstvisie.

 

S08.3 Samenwerken in een Mobiel Crisisteam vanuit een systemisch kader

Karine van Tricht, psychologe, UPC KU Leuven

Tine Peeters, UPC KU Leuven

 

Het spreekt voor zich dat acute, crisisgerichte zorg in de gemeenschap het hier-en-nu van het individu in zijn context centraal stelt. Samenwerking tussen personen in crisis, hun betrokkenen en de hulpverlening vormt daarbij de hoeksteen van elke vorm van crisisgericht interveniëren. We zoomen in op de bruikbaarheid van paradigmata en modellen uit de relatie-, gezins- en systeemtherapie en de gedragstherapie als kader waarop onze multidisciplinaire samenwerking gebaseerd is. Zowel oplossingsgerichte, gedragstherapeutische, dialogische en narratieve interventies worden kort toegelicht. De oplossingsgerichte visie kan daarbij een tegenwicht bieden aan het soms erg invaliderende effect van een crisis. De patiënt wordt opnieuw in zijn mens-stuk geplaatst door te werken vanuit zijn doelstellingen en te zoeken naar mogelijkheden en uitzonderingen.

De thuisomgeving blijkt een dankbare context voor dit mens-mens-contact. In de eerste fase van een crisis kunnen concrete, structurerende interventies in het hier-en-nu, een handelsmerk van de gedragstherapie, een aanzet vormen tot herstel van de draagkracht. Eens de patiënt en zijn systeem opnieuw het gevoel krijgen grond onder de voeten te hebben, blijkt men soms op zoek naar een antwoord op de vraag “hoe is het toch zo ver met mij/ons kunnen komen?”. Psycho-educatie kan hen inzicht geven in de onlosmakelijke samenhang tussen ons denken, voelen en doen, en op die manier ook een brug creëren naar de bij momenten noodzakelijke (therapeutische) vervolgzorg. De dialogische ontmoeting tussen alle betrokkenen vormt daarbij de veilige ruimte waarin verandering mogelijk wordt en de verhalen die daarbij gecreëerd worden zijn de eerste bouwstenen naar een minder probleemgesatureerd verhaal.

 

dinsdag 16 september 2014 14u00-15u30

S09 Ervaringsdeskundigheid: we kunnen er wat mee!

voorzitter: Jochen Van den Steen

 

S09.0 Inleiding

Jochen Van den Steen, begeleider Aanloophuis Poco Loco, Gent

 

In Vlaanderen zijn verschillende groepen van ervaringsdeskundigen actief. In dit symposium laten we u kennismaken met vier groepen die hier al enige tijd actief rond actief zijn. Elke groep heeft een andere uitvalsbasis: Ontmoetingshuis poco loco (WED), CGG Ahasverus (Herstelacademie), Werkgroep Denk van provinciaal overlegplatform Vlaams-Brabant en Psychiatrisch Centrum Sint-Hiëronymus (WEP). Elke groep is dus uniek in zijn ontstaansgeschiedenis en werkwijze. Gemeenschappelijk is: de krachtige inzet van ervaringsdeskundigheid.

 

S09.1 Door Ervaring Naar Kennis

Nathalie Albert, lid DENK, Vlaams-Brabant

Nancy Dyckmans, lid DENK, Vlaams-Brabant

Door Ervaring Naar Kennis (DENK) is een groep ervaringsdeskundigen die al een hele weg hebben afgelegd in de psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg (ggz).

In het kader van de vermaatschappelijking van de zorg heeft DENK een workshop rond herstel ontwikkeld. Enkele ervaringsdeskundigen schetsen hoe zij de hulpverleners praktische handvatten meegeven om herstelgericht te werken in de ggz. Naast de workshop brengt DENK ook getuigenissen op scholen en herstelverhalen in voorzieningen of opleidingen.

 

S09.2 Werkgroep Ervaringsdelen

Nog te bepalen, Gent

Gestart in 2008 heeft de Werkgroep ErvaringsDelen (WED) een boeiende weg gelopen doorheen de jaren. Van werkgroep, met als centrale thema het levensverhaal, naar een werking met vijf pijlers: beeldvorming, beleid, interne en externe vorming, ervaringsdeskundigen ingeschakeld in de zorg en langdurige opleiding.

De WED gunt een blik achter de schermen van dit proces.

De groei van een kleine, gedreven werkgroep naar een breed uitgebouwde werking met meer en meer vrijwilligers is krachtig, maar niet zonder vallen en opstaan. Hoe hou je de regie bij de werkgroepleden en verdeel je de taken? Waarom is het belangrijk om rekening te houden met draagkracht en draaglast? Hoe zorg je er voor dat het project verder bottum-up kan groeien?

We geven onze inzichten en hopen verder van het publiek te leren!

 

S09.3 De herstelacademie

Nog te bepalen, Grimbergen

De herstelacademie is een plek waar een wereld van ziekte, isolement en beperking geruild kan worden met een omgeving van hoop en zelfsturing, keuzes maken, leren en zingeving, participatie aan de gemeenschap in onderlinge steun en verbondenheid. Naast een kunstatelier ArtEco en een praatcafé ‘Café de goede hoop’ ontwikkelt dit project herstelmodules, laat ze proefdraaien, evalueert en geeft de herstelacademie een plaats in de vernieuwde ggz van het werkingsgebied.

We hebben tot op vandaag ervaring opgedaan met vijf herstelmodules:

  • Hoop en Herstel
  • Herstel en communicatie
  • Herstel en vrije Tijd
  • Herstel en werk en opleiding
  • Herstel en middelen

De modules worden op geregelde tijdstippen aangeboden in groepssessies. In deze sessies staan de eigen ervaringen van deelnemers centraal, zo worden deelnemers student en leraar van en met elkaar. We geven een overzicht van onze activiteiten en geven duiding over de rol van de ervaringsdeskundige in dit verhaal.

 

S09.4 Werkgroep Ervaringsdeskundigheid en Participatie

Nog te bepalen, Sint-Niklaas

De Werkgroep Ervaringsdeskundigheid en Participatie (WEP) bestaat uit ervaringsdeskundigen die allemaal op een of andere manier een link hebben met het (netwerk rond het) Psychiatrisch Centrum PC Sint-Hiëronymus in Sint-Niklaas. De leden van de WEP delen met u hoe zij zich als ervaringsdeskundigen inzetten in het psychiatrisch centrum en daarbuiten.  Het gaat hierbij zowel om initiatieven rond participatie, vorming en zorgverlening.


dinsdag 16 september 2014 14u00-15u30

S10 ADHD in de volwassenheid

voorzitter Steven Stes

 

S10.0 Inleiding

Steven Stes, psychiater, UPC KU Leuven, campus Kortenberg / Code, Thomas More, Antwerpen

 

Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD), een aandachtstekort- en/of hyperactiviteitstoornis, is een frequent voorkomende psychiatrische stoornis doorheen de levensloop. Ongeveer 5 % van alle kinderen en 2,5 % van alle volwassenen zou eraan lijden. De stoornis en de behandeling ervan krijgen zowel in de professionele wereld als bij het grote publiek veel aandacht, in positieve en negatieve zin.

Dit symposium brengt de (voorlopige) resultaten van drie projecten die een samenwerking zijn van de ADHD-polikliniek van het UPC KU Leuven op de campus Kortenberg, Code, het expertisecentrum van Thomas More voor ontwikkeling en leren, en de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de KU Leuven. De projecten zijn enerzijds gericht op diagnostiek en behandeling van volwassenen met ADHD en anderzijds op faciliteiten voor jongvolwassen studenten met een functiebeperking als ADHD.

 

S10.1 3 jaar diagnostiek in een universitaire polikliniek ADHD voor volwassenen

Koen Vandepoel, psycholoog, UPC KU Leuven, Kortenberg / Code Thomas More, Antwerpen

Dominique Walschaerts

Steven Stes, psychiater, UPC KU Leuven, campus Kortenberg / Code, Thomas More, Antwerpen

 

In de ADHD-polikliniek van het UPC KU Leuven worden routinematig een aantal instrumenten gebruikt in het kader van differentiaaldiagnostiek van ADHD bij volwassenen: enerzijds om psychiatrische stoornissen vast te stellen (semi-gestructureerde interviews), en anderzijds verschillende door patiënten zelf in te vullen vragenlijsten ter inventarisatie van symptomen, persoonlijkheidskenmerken en kwaliteit van leven.

Sinds 2010 worden door ons een aantal gegevens uit de patiëntendossiers geanonimiseerd verzameld in een databank. De basisfunctie van deze dataverzameling is een terugkoppelingsplatform creëren vanuit het klinische werkveld met nadruk op de profilering van volwassenen die zich aanmelden voor onderzoek. Hoe laat deze populatie zich typeren op vlak van socio-demografische variabelen zoals geslacht, opleidingsniveau, werk- en relationele status? Welke psychiatrische stoornissen worden vastgesteld naast de eventuele ADHD? Wat is de ernst van de klachten die deze volwassenen uiten via de verschillende vragenlijsten, en welke persoonlijkheidskenmerken zijn bij hen het meest uitgesproken?

In de presentatie wordt er ook stil gestaan bij de eventuele samenhang tussen de verschillende klinische variabelen. Daarnaast is het ook essentieel om de vergelijking te maken met de bevindingen die de wetenschappelijke literatuur aanreikt. Sluit onze klinische praktijk aan bij eerdere bevindingen uit onderzoek?

 

S10.2 Cognitieve gedragstherapie voor volwassenen met ADHD: meer dan het leren van vaardigheden?

Gil Borms, psycholoog, UPC KU Leuven,campus Kortenberg/ Code Thomas More,Antwerpen

Lotte Van Dyck

 

Zowel in de polikliniek ADHD bij volwassenen van het UPC KU Leuven, campus Kortenberg, als in Code, het expertisecentrum van Thomas More, wordt cognitieve gedragstherapie in groep gegeven voor volwassenen met ADHD. Deze therapie is gebaseerd op het protocol ontwikkeld door Mary V. Solanto en collega’s. De bedoeling van deze groepstherapie is het timemanagement en de organisatie- en planningsvaardigheden van de deelnemers te verbeteren. Daarnaast wordt ingegaan op emoties en gedachten die de toepassing van bovenstaande vaardigheden kunnen bemoeilijken.

In deze bijdrage presenteren we aan de hand van voorlopige resultaten van kwantitatieve voor-na metingen en kwalitatieve analyses van de ervaringen van therapeuten en deelnemers. De voor-na metingen gebeuren aan de hand van vragenlijsten die executieve functies en de kernsymptomen van ADHD in kaart brengen, maar ook andere aspecten zoals de ervaren levenskwaliteit en karakteristiek copinggedrag bij problemen of aanpassingsvereisende gebeurtenissen. Aan de deelnemers wordt ook feedback gevraagd over hun ervaring met de verschillende sessies en de therapie in het algemeen, en deze groepsgesprekken worden kwalitatief geanalyseerd.

Referenties

Solanto Mary V., Stes, S., Baeyens D., Borms G. & Van Dyck L. (2012) Cognitieve gedragstherapie voor volwassenen met ADHD. Aandacht voor executieve disfuncties. Leuven, Acco

Solanto Mary V., Stes, S., Baeyens D., Borms G. & Van Dyck L. (2012) Cognitieve gedragstherapie voor volwassenen met ADHD. Aandacht voor executieve disfuncties. Werkboek. Leuven, Acco

 

S10.3 Jongvolwassenen met ADHD in het hoger onderwijs

Dorien Jansen, orthopedagoog, Code Thomas More, Antwerpen

Elke Emmers

Katja Petry

Dieter Baeyens

 

Achtergrond

Hoewel steeds meer studenten met een functiebeperking, waaronder studenten met ADHD, doorstromen naar het hoger onderwijs, zijn de onderwijs- en examenfaciliteiten in de huidige onderwijscontext vaak ontoereikend. Om het hoger onderwijs succesvol te doorlopen, hebben zij nood aan geïndividualiseerde aanpassingen die hun participatie en slaagkans verhogen.

Doelstellingen

Tijdens deze studie lijstten we de problemen van jongvolwassenen met ADHD in het hoger onderwijs op aan de hand van het International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF; WHO, 2001). Op basis van deze oplijsting maakten we een vertaalslag naar wat deze problemen kunnen betekenen in het onderwijs en welke effectieve faciliteiten kunnen geboden worden aan de studenten.

Methode

Allereerst voerden we een literatuurstudie uit om de problematiek van jongvolwassenen met ADHD aan de hand van het ICF-kader in kaart te brengen waarna de onderwijsrelevantie functie-uitval hieruit gededuceerd werd tijdens een expertmeeting. Nadien vonden een vragenlijstonderzoek, tien diepte-interviews en twee focusgroepen plaats waarin we de effectiviteit en de implementatie van bestaande faciliteiten bekeken en hoe jongvolwassenen en studentenbegeleiders de functie-uitval van studenten met ADHD in het hoger onderwijs ervaren.

Resultaten en discussie

Deze studie resulteerde in een lijst van effectief ervaren faciliteiten voor studenten met ADHD. In deze bijdrage bespreken we mogelijke onderwijs- en examenfaciliteiten voor studenten met ADHD en de ervaren effectiviteit en de implementatie van deze faciliteiten.

Referentie

World Health Organization (2001). International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF). Geneva, WHO

 

dinsdag 16 september 2014 14u00-15u30

S11 Wie ben ik voor u? Het statuut van grens en begrenzing in een muziek- en beeldend psychotherapeutische context

voorzitter Freya Drossaert

 

S11.0 Inleiding

Freya Drossaert, muziektherapeut, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

 

In dit symposium onderzoeken de sprekers de plaats van grens en begrenzing vanuit verschillende invalshoeken. Hun werk getuigt van de wijze waarop grenzen uitgedaagd kunnen worden, maar ook van de impact die bepaalde grenzen kunnen hebben op het therapeutisch werken met personen met een psychische problematiek. De grens wordt beschouwd op het niveau van setting en kader, en vanuit de betekenis hiervan voor elk van de actoren binnen de therapeutische relatie. Zowel een gestalttherapeutische visie als een psychoanalytisch-psychodynamisch denken worden gepresenteerd, en dit binnen een muziek- en beeldend psychotherapeutische context.

 

S11.1 Wie ben ik voor u? Ervaringen van een muziek- en beeldend psychotherapeut bij geïnterneerden in een Vlaamse gevangenis onder de loep genomen

Vina Van Geystelen, muziek- en beeldend psychotherapeut, zelfstandige praktijk, Deurne

 

Het werk als muziek- en beeldend psychotherapeut binnen de gevangenis met geïnterneerden wordt aan een grondig onderzoek onderworpen. Uitgangspunt is de kernvraag van dit congres: wie ben ik voor u? Heeft deze specifieke omgeving gevolgen voor de behandeling van psychische stoornissen? Bepaalt dit gegeven inhoud en vorm van de therapeutische relatie? Is er sprake van steeds diffusere grenzen? Wat is het statuut van de hulpverlener, gedetineerde,… in deze situatie?

Persoonlijke ervaringen worden vanuit een gestalttherapeutische visie bekeken en onderzocht, aangevuld met voorbeelden uit de praktijk.

 

S11.2 Driftig drijvend … De drift in muziektherapie bij daders van seksuele delicten in de forensische psychiatrie

Hannah Ackaert, muziektherapeut, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

 

In het werken met daders van seksuele delicten in de forensische psychiatrie is begrenzing een sleutelwoord. Specifieke moeilijkheden met deze begrenzing laten zich ook voelen in de sessies muziektherapie met deze populatie. Regelmatig is hoorbaar en voelbaar welk een krachtige lading de muziek krijgt. Deze lading wordt als massief, statisch en spanningsvol ervaren door alle actoren. De driftmatige ont-lading waarop men wacht, wordt nooit bewerkstelligd, lijkt onbereikbaar en gedoemd zich louter te herhalen.

In deze bijdrage wordt bestudeerd hoe het driftmatige, gesitueerd binnen het kader van de seksuele problematiek, zich presenteert in een muziektherapeutische setting.

 

S11.3 À la limite. De drift en haar begrenzing binnen muziek en muziektherapie met personen met een afhankelijkheidsproblematiek

Freya Drossaert, muziektherapeut, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

 

De spanningsverhouding tussen de constructie en deconstructie van de grens manifesteert zich als een belangrijk Leitmotiv in de muziek en groepsmuziektherapie met personen met een afhankelijkheidsproblematiek. Op het niveau van het corpo-reële wordt de drift of pulsie voel-, hoor- en tastbaar via de muzikale pulsering. Het is de muzikale vorm die kan voorzien in een begrenzing van het driftmatige streven, maar net omwille van deze eigenschap wordt zij voortdurend uitgedaagd en zijn de pogingen tot annihilatie niet gering. De positie die de therapeut hierbij inneemt en die eveneens gecreëerd en aangestuurd wordt door de drift van de groep, is binnen deze dynamiek van vitaal belang in de zoektocht naar een pulsioneel evenwicht.

Deze bijdrage focust op de manifestatie van de drift en haar begrenzing binnen muziek en muziektherapie met personen met een afhankelijkheidsproblematiek en wordt geïllustreerd met voorbeelden uit de praktijk.

 


 

dinsdag 16 september 2014 16u00-17u30

S12 Burn-out: geen DSM-diagnose maar wel een “aandoening” van deze tijd?

voorzitter Herman Haezaert

 

S12.0 Inleiding

Herman Haezaert, psychiater, coördinator Centrum voor Angst, Stress en Psychosomatische Aandoeningen (CASPA), AZ Sint-Maarten Duffel/Mechelen

 

Burn-out is brandend actueel. De laatste tijd gaat er geen dag voorbij of er verschijnt wel iets in de media over burn-out. Artsen, hulpverleners en psychotherapeuten maar ook werkgevers, verzekeringsinstellingen en RIZIV worden er met de regelmaat van de klok mee geconfronteerd. Alhoewel het geen diagnose is die als dusdanig vermeld wordt in de veel besproken DSM-nomenclatuur van psychiatrie wordt het woord burn-out frequent gebruikt in de communicatie over cliënten/werknemers. Iedereen, ook de leek, is vertrouwd met de term.

Wat betekent burn-out, wat zijn de symptomen, en hoe wordt het veroorzaakt? En wat als de hulpverlener zelf in een burn-out terecht komt? Wat zijn de risico’s en wat kan je er aan doen?

Dit symposium speelt in op het onderzoek dat de laatste jaren is verricht over dit onderwerp en op het ontwikkelen van acties om burn-out tegen te gaan. Als hulpverleners die er dagelijks mee geconfronteerd worden bekijken we burn-out vanuit de klinische realiteit, en gaan we in op nieuwe initiatieven om dit probleem aan te pakken.

 

S12.1 Streven naar een zo preventief mogelijke aanpak van burn-out

Tine Daeseleire, psycholoog, stichter The Human Link, Berchem / docente KULeuven en UGent, mede-initiatiefnemer Doctors4Doctors

 

In deze bijdrage worden handvatten aangereikt om medewerkers met burn-out verschijnselen aan te zetten tot een actief herstelproces: welke signalen zijn belangrijk, hoe kunnen we snel risicopatiënten screenen? Gaat de medewerker best in ziekteverlof of blijft hij(zij) beter arbeidsgeschikt? Welke metaforen kunnen hulpverleners gebruiken om medewerkers te motiveren steun te zoeken (en ermee aan de slag te aan)? Uit welke stappen bestaat het herstelproces?

De nadruk ligt op de rol die verschillende actoren kunnen vervullen om het herstel te bespoedigen en hulp te geven bij re-integratie. We belichten de samenwerking tussen verschillende zorgverleners zoals de huisarts, arbeidsgeneesheer, personeelsdienst, preventieadviseur en psycholoog. Tot slot is het belangrijk burn-out te voorkomen en een preventief beleid te voeren in organisaties rond chronische stress. Enkele tips voor organisatie– (zorg) en zelfzorg worden meegegeven.

 

S12.2 Differentiële diagnostiek tussen burn-out, angst -en stemmingsstoornissen, primaire slaapstoornissen & CVS bij artsen

Andy De Witte, psychiater-psychotherapeut, GZA-ziekenhuizen campus Sint-Vincentius/ privépraktijk Miander, Wilrijk voorzitter sectie PAAZ, VVP

 

In deze korte bijdrage gaan we dieper in op de differentiële diagnostiek tussen de hoger vernoemde ziektebeelden. Welke rol speelt het stress-responssyteem, de omgeving en persoonlijke kwetsbaarheden in het ontstaan van zeer gelijkaardige symptomen bij deze toch wel verschillende aandoeningen? Welke anamnestische vragen, klinische vaststellingen en eventuele psychodiagnostische vragenlijsten kunnen ons hierbij helpen.

 

S12.3 Burn-out bij zorgverstrekkers

Herman Haezaert, psychiater, coördinator Centrum voor Angst, Stress en Psychosomatische Aandoeningen (CASPA), AZ Sint-Maarten Duffel/Mechelen 

 

De stress die zorgverstrekkers ervaren in de uitoefening van hun job wordt steeds groter: besparingen in de ziekenhuizen die leiden tot meer werk met minder mankracht, kortere verblijfsduren die het werktempo opdrijven, langere wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg, cliënten die mondiger worden en een onvoorwaardelijke inzet vragen van de hulpverlener… Al deze factoren zorgen voor een constante mentale druk waardoor steeds meer hulpverleners in een burn-out terecht komen. Houden beleidsmakers/organisaties voldoende rekening met deze evoluties en welke adviezen kunnen we hen geven vanuit de klinische praktijk?  En hoe gaan we als hulpverleners hier mee om? Hebben we oog voor onze collega’s in nood? Zorgen we voldoende voor elkaar?

Deze bijdrage schetst een aantal aspecten van deze problematiek.

 

S12.4 Wat zou het initiatief Doctors4Doctors kunnen betekenen voor deze beroepsgroep?

Eric Boydens, huisarts, gestalttherapeut, de Koraalberg, Antwerpen, mede-initiatiefnemer van Doctors4Doctors

 

Doctors4Doctors (D4D) is recentelijk van start gegaan en biedt een aanspreekpunt voor artsen met een hulpvraag. We schetsen kort vanuit welke idee D4D is opgericht, en aan welke noden in het veld het een antwoord kan geven. Hoe we praktisch tewerk gaan illustreren we met casus-materiaal.

 

dinsdag 16 september 2014 16u00-17u30

S13 Werkbaar werk!

voorzitter Yves Wuyts

 

S13.0 Inleiding

Yves Wuyts, stafmedewerker geestelijke gezondheidszorg, Zorgnet Vlaanderen

“De werkende mens: Welk werk is aangewezen om het herstelproces van mensen met een langerdurende psychiatrische problematiek te ondersteunen”.

De meeste mensen zijn er van overtuigd dat werk een belangrijke schakel kan zijn in het herstelproces van mensen met langerdurende ggz-problemen. Het lijkt dan ook logisch te streven om iedere ggz-cliënt zo snel mogelijk aan het werk te helpen. Hiertoe zijn een snelle toeleiding en ondersteuning tijdens zowel het zoekproces naar werk als tijdens het werk zelf kritische succesfactoren. Anderzijds geven ervaringskundigen aan dat niet elk werk bijdraagt tot het persoonlijk herstelproces.

Hoe komt het dat in de Belgische ggz-sector alle betrokken actoren elkaar zo moeilijk vinden om dit proces op poten te zetten? Wat is dan “werkbaar werk”? Onder welke omstandigheden en onder welke voorwaarden is werk een stimulerende factor voor herstel?

Op deze vragen wil dit symposium een antwoord zoeken door de visie van zowel gebruikers, arbeidstoeleidingsspecialisten als zorgverleners aan bod te laten komen.

 

13.1 getuigenis

Ingrid Jongeneelen, lid UilenSpiegel

Persoonlijke getuigenis door een ggz-ervaringsdeskundige over de impact van het verrichten van arbeid op het ziekte-proces.

 

13.2 Getuigenis en perspectief van de cliënten

Jan Delvaux, bestuurslid OPGanG (Open Patiëntenkoepel Geestelijke Gezondheidszorg)
Ann van de Vloet, secretaris Uilenspiegel

Het vervullen van arbeidsmatige activiteiten kan zinvol zijn in het herstelproces van cliënten omdat dit dagstructuur bevordert en sociaal isolement tegen gaat.

Ondanks de zinvolheid van arbeidsmatige activiteiten zijn er heel wat moeilijkheden in het vinden en behouden van een job in geval van ggz-problemen. ggz-hulpverleners kunnen hieraan helpen door samen met de cliënt te zoeken naar krachten, talenten en mogelijkheden en tevens realistische doelen na te streven rekening houdend met eventuele valkuilen. Actoren werk, waaronder GTB, kunnen hieraan helpen door de cliënt te stimuleren ( niet pushen) en te ondersteunen bij de zoektocht naar werk en bij gevonden werk coaching en opvolging te voorzien.

Werkbaar werk is werk dat motiverend is, rekening houdt met het opleidingsniveau en de werkervaring van de cliënt en dat tevens niet te veel stress oplevert.

Herstelbevorderende arbeidstoeleiding betekent dat rekening wordt gehouden met de wensen en mogelijkheden van de cliënt waarbij deze zelf de regie in handen houdt.

Werkgevers zouden best gesensibiliseerd worden over mogelijke arbeidshandicaps ten gevolge van ggz problemen. Onbekend maakt onbemind.


13.3 stem van de gebruikers

Jos Wouters, stafmedewerker Gebruikersoverleg Handicap, chronische ziekte en arbeid

 

De algemene doelstelling moet zijn om iedereen een inkomen te laten verwerven via arbeid. Dit betekent niet noodzakelijk dat enkel productiegerichte arbeid in aanmerking komt om een inkomen te verwerven.

Maatschappelijk moet men steeds keuzes maken: onder meer een investering voor een intensieve begeleiding van een kleine groep cliënten versus een lager intensieve begeleiding voor een grotere groep cliënten.

Sommige mensen moeten ondersteund worden in het verkennen van de keuzemogelijkheden inzake het verrichten van arbeidsmatige activiteiten. Anderzijds komt het enkel aan de cliënt toe om keuzes te maken, gebaseerd op een risico-inschatting van elk van de keuzemogelijkheden.

Er moet steeds een ondersteuningsvangnet worden voorzien in geval van een terugval.

 

13.4 perspectief actoren werk

Luc Henau, directeur Gespecialiseerde trajectbegeleiding GTB

 

Doelen en werkpunten vanuit de gespecialiseerde trajectbegeleiding:

  • Iedereen aan het werk
  • Werk als belangrijkste hefboom naar maatschappelijke integratie en participatie .
  • Voor GTB en GGZ: (nog) meer klantgerichte samenwerking op basis van een gezamenlijke inzet voor de klant en vertrekkend vanuit respect voor de deskundigheid en opdracht van elke organisatie.
  • Werk als de belangrijkste component van herstelbevorderende begeleiding betekent mensen weer hoop geven, keuzes aanbieden en kansen waarmaken.

 

13.5 Perspectief ggz-zorgaanbieders

Alda Verbeek, voorzitter werkgroep activering Zorgnet Vlaanderen

 

Het belang van werk moet aan belang winnen in onze eigen sector omdat werk een wezenlijk onderdeel is/kan zijn van iemands herstel!

Wat de ggz verwacht van de actoren werk is ondersteuning op maat van de persoon bieden, o.a. parate kennis en juiste toepassing van sociale wetgeving dus mogelijkheden voor de persoon met een arbeidshandicap. Gesprekspartner/lobbyist/ondersteuner zijn bij de werkgever.

Anderzijds denkt de ggz-sector het volgende te kunnen bieden:

  • brugfiguur / verbindingsfiguur inclusief woordvoerder voor de persoon met psychische kwetsbaarheid tussen hem/haar en werkwereld en zorgwereld.
  • Snel detecteren van mensen met ggz-problemen in de werkloosheid en samen met ggz en arbeidsspecialisten de cliënt benaderen en begeleiden. Voorkomen dat mensen de zoveelste faalervaring opdoen.
  • Stimuleren van Individual Placement and Support, ook op de werkvloer en ook nog geruime tijd na aanwerving.
  • Komen tot “werkbaar werk”, ook al betekent dit voor een aantal mensen het verrichten van arbeidsmatige activiteiten zonder loon onder de vorm van arbeidszorg of (begeleid)vrijwilligerswerk.
  • Arbeidszorg mogelijk maken voor mensen met langdurige ggz-problemen in de verschillende stelsels (werkloosheid, maatschappelijke integratie, invaliditeit, inkomenvervangende tegemoetkoming).


dinsdag 16 september 2014 16u00-17u30

S14 Bemoeizorg, goede zorg

voorzitter Emiel Nelissen

 

S14.1 Wanneer is bemoeizorg goede zorg?

Emiel Nelissen, diensthoofd psychologie, PC Broeders Alexianen, Boechout

 

Bemoeizorg is het bieden van ongevraagde hulp aan mensen met complexe psychiatrische problemen die op een zorgwekkende manier deze zorg mijden. Spreken in termen van bemoeizorg lokt controverse uit, maar dit hoeft geen bezwaar te vormen, integendeel! Bij hulpverleners roept bemoeizorg vrijwel onmiddellijk een zekere terughouding en ethische reflectie op, en die is nodig. Voor patiënten en familie is het een no-nonsens begrip dat nauw aansluit bij hun beleving, en als dusdanig goed bespreekbaar kan zijn.

Bemoeizorg is als begrip en zorgvorm komen overwaaien uit Nederland, waar het als een ambacht wordt omschreven, en waarrond congressen en opleidingen georganiseerd worden. Is bemoeizorg te rechtvaardigen, en in welke omstandigheden? Kan bemoeizorg een vorm van goede zorg zijn, en waaraan moet ze dan voldoen? Een grondhouding van respectvolle betrokkenheid en zorgzaamheid is essentieel. Door het opbouwen van een vertrouwensrelatie probeert men zorgmijders zover te krijgen dat ze passende zorg aanvaarden, wat dan uiteindelijk hun kwaliteit van leven ten goede kan komen.

 

S14.2 Bemoeizorg vanuit ethisch perspectief

Axel Liégeois, professor, KU Leuven / Broeders van Liefde Gent

 

In haar advies opteert de begeleidingscommissie ethiek in de geestelijke gezondheidszorg bij de Broeders van Liefde ervoor om bemoeizorg te benaderen vanuit een relationele mensvisie waarin verbondenheid en verantwoordelijkheid centraal staan. Bemoeizorg gaat uit van verbondenheid tussen mensen en het opbouwen van een vertrouwensrelatie. Daartoe wenden de zorgverleners zich naar de persoon met psychiatrische problemen, zoeken ze samen naar wat voor hem of haar op het spel staat, worden ze ‘bondgenoot’ en nemen ze samen initiatieven die aansluiten bij zijn of haar perspectief.

Vanuit deze vertrouwensrelatie komen zorgverleners, persoon met psychiatrische problemen en naastbetrokkenen tot een gedeelde verantwoordelijkheid. Deze bestaat uit een continue lijn met aan de ene zijde het responsabiliseren van de persoon met psychiatrische problemen tot zoveel mogelijk eigen verantwoordelijkheid en aan de andere zijde het plaatsvervangend overnemen van verantwoordelijkheid. Op dit continuüm krijgt gedeelde verantwoordelijkheid gestalte in de vele vormen van bemoeizorg: van adviseren, over verleiden en overtuigen, en over externe en interne druk, tot dwang. Bemoeizorg met meer eigen verantwoordelijkheid verdient de voorkeur, maar onder bepaalde voorwaarden kan bemoeizorg met meer plaatsvervangende verantwoordelijkheid nodig zijn. De zorgverleners vermengen deze verschillende vormen van bemoeizorg niet. Steeds is het hun bedoeling te responsabiliseren, te komen tot consensus en toestemming te krijgen.

Referenties

Begeleidingscommissie ethiek GGZ, Ethische adviezen, www.fracarita.org/identiteit/visie

Liégeois, A. (2014). Waarden in dialoog. Ethiek in de zorg. Leuven, LannooCampus, herziene uitgave

 

S14.3 Bemoeizorg in de praktijk

Ellen Berghmans, mobiel team Antwerpen / De Vliering, Boechout

Tine Lefevre, coördinator, mobiel team Antwerpen / De Vliering, Boechout

 

Bij sociale huisvestingsmaatschappijen (SHM) stelt men vast dat een belangrijk aantal bewoners kampt met ernstige en complexe psychiatrische problemen, waarvoor zij niet altijd de gepaste hulp zoeken. Deze problemen kunnen behoorlijk overlast veroorzaken (en soms onderlast), met mogelijks risico op huisuitzetting. Vaak gaat het over zorgwekkende zorgmijders.

Het SSeGA-project is een samenwerkingsverband tussen SHM en GGZ Antwerpen dat zich specifiek op deze doelgroep richt. In deze vorm van bemoeizorg is het opbouwen van een vertrouwensrelatie essentieel.

In deze bijdrage worden de resultaten van dit project gepresenteerd en wordt de praktijk van bemoeizorg geïllustreerd aan de hand van een casus.

 

S14.4 Kan bemoeizorg herstel bevorderen?

Jan Delvaux, ervaringsdeskundige, voorzitter UilenSpiegel

 

In bemoeizorg zit de component bemoeien. De hulp die hulpverleners of omgeving willen aanbieden wordt door de persoon zelf afgewezen.

Hoe ervaren zij dergelijke hulp die hen dan toch wordt opgedrongen?

Wat is nodig om mensen zover te krijgen dat ze toch de zorg aanvaarden die nodig is, en die ze zelf in eerste instantie afwijzen?

Hoe kijken mensen achteraf terug op dergelijke aanklampende zorg, en kunnen zij achteraf de bemoeienissen van de hulpverleners appreciëren?

Kan bemoeizorg het herstel bevorderen?


dinsdag 16 september 2014 16u00-17u30

S15 Onderzoek naar diverse gezinsvormen

voorzitter Hanna Van Parys

 

S15.0 Inleiding

Hanna Van Parys, post-doctoraal wetenschappelijk medewerker, relatie- en gezinstherapeute, Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Gent

 

In dit symposium belichten we recent onderzoek naar een diversiteit aan relatie/gezinsvormen in België. Net zoals veranderende mensbeelden kunnen we anno 2014 immers ook van veranderende beelden over relaties en gezinnen spreken. In hoeverre gaan verschillende relatievormen samen met specifieke patronen van welbevinden? Hoe wordt het concept gezin benaderd in de holebigemeenschap? Komen we tot verrassende constataties wanneer we een Turkse en een Vlaamse steekproef vergelijken wat betreft de kans op een onbedoelde zwangerschap? Hoe geven heteroseksuele koppels die via spermadonatie kinderen krijgen vorm aan het verhaal over de donorconceptie en de donor?

 

S15.1 Relationele diversiteit en subjectief welzijn in het hedendaagse België: Een onderzoek naar onderliggende mechanismen

Lesley Verhofstadt, relatie- en gezinstherapeute, docent relatie- en gezinsstudies, Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Gent

Jan De Mol

Gaelle Vanhee, Universiteit Gent

Céline Hinnekens

Philippe Maurage,Catholic University of Louvain-la-Neuve

Moira Mikolajczak,Catholic University of Louvain-la-Neuve

 

Bestaand internationaal onderzoek toont aan dat de relatiestatus van iemand gerelateerd is aan diens subjectief welzijn. Meer in het bijzonder komt uit studies naar boven dat gehuwden gelukkiger zijn dan individuen die single, samenwonend, of gescheiden zijn. Echter, gezien het toenemend aantal alternatieve relatie- en gezinsvormen in onze hedendaagse Belgische samenleving kan men zich afvragen of de protectieve voordelen verbonden aan het huwelijk nog zo uitgesproken zijn.

In deze bijdrage bespreken wij de resultaten van een grote internet-survey die wij uitvoerden bij 4.000 volwassenen in Vlaanderen en Wallonië en die tot doel had om:

a) het verband tussen relatiestatus en subjectief welzijn te onderzoeken bij individuen met uiteenlopende relatie/gezinsvormen (alleenstaand, gehuwd met/zonder kinderen, samenwonend met/zonder kinderen, alleenstaande ouder, nieuw samengesteld gezin, ….);

b) de onderliggende mechanismen van dit verband te identificeren (o.a., lichamelijke gezondheid, seksuele frequentie/tevredenheid, financiële zorgen, gevoelens van discriminatie). Er wordt tevens stilgestaan bij de mogelijke klinische en praktische implicaties van de onderzoeksresultaten.

 

S15.2 Holebi’s en hun families: een kritische reflectie op vriendschap en andere bloedbanden

Alexis Dewaele, post-doctoraal wetenschappelijk medewerker, onderzoekscoördinator consortium klinische psychologie (i.e. PSYNC), Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Gent

 

Ondanks de juridische quasi-gelijkheid tussen holebi’s en hetero’s en de grotere maatschappelijke aanvaarding van holebi’s in Vlaanderen, ervaren homo, lesbische en biseksuele individuen nog steeds in meer of mindere mate stigma en vooroordelen. Uit de literatuur blijkt dat ze voor sociale steun in eerste instantie beroep zouden doen op vrienden in plaats van op familie (i.e. de family-of-choice hypothese). Dit omwille van het feit dat familiale banden vaker verstoord of minder hecht zijn.

In deze studie vergeleken we de steunnetwerken van 2.754 Vlaamse holebi’s met die van 1.199 Vlamingen. We vonden steun voor de family-of-choice-hypothese: bij holebi’s was de belangrijkste vertrouwenspersoon vaker een vriend. Bij hetero’s kwam familie meestal op de eerste plaats. We staan stil bij het potentieel van ondersteunende vriendschapsnetwerken en stellen daarbij de vraag “Is het voldoende om enkel goede vrienden te hebben?”.

 

S15.3 Etnische afkomst en gezinsplanning: data van twee populatiesteekproeven

Joke Vandamme, doctoraatsstudent, departement Interne Geneeskunde, Universiteit Gent

 

Koppels die geconfronteerd worden met een onbedoelde zwangerschap enerzijds of vruchtbaarheidsproblemen anderzijds moeten onverwacht bewust over hun toekomstige kinderwens nadenken. Beslissingen worden dan gemaakt in een emotionele, stresserende context.

In 2011-2012 werden twee Vlaamse populatiesteekproeven geïnterviewd over hun seksuele en reproductieve gezondheid: een algemene populatiesteekproef (N=1832) en een steekproef uit de Turkse minderheid (N=432). Deze studie brengt de reproductieve beslissingen van beide populaties in kaart, evenals de psychosociale correlaten van deze beslissingen.

 

S15.4 Alternatieve gezinsvorming: een kwalitatieve studie naar de betekenissen die gezinnen construeren over hun spermadonor

Elia Wyverkens, doctoraatsstudent, Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Gent

 

Ongeveer 10 tot 15% van alle koppels wereldwijd heeft te kampen met vruchtbaarheidsproblemen. Nieuwe medische technieken, waaronder het gebruik van donorgameten (gedoneerde spermacellen of eicellen) bieden een oplossing voor een aantal van deze koppels. Bij deze toepassingen van medisch geassisteerde voortplanting wordt er beroep gedaan op een derde partij die geen toekomstige ouder is, maar wel een genetische link heeft met het kind.

In deze bijdrage focussen we op een kwalitatieve interviewstudie bij gezinnen die via kunstmatige inseminatie met donorsperma ouder werden. Aan de hand van Interpretatieve Fenomenologische Analyse nemen we het verhaal rond de spermadonor onder de loep. Welke rol krijgt de donor en hoe communiceert men hierover in het gezin?

De bevindingen worden teruggekoppeld naar de praktijk en er wordt gereflecteerd over mogelijke implicaties voor onze denkbeelden over gezinnen.

 

dinsdag 16 september 2014 16u00-17u30

S16 Psychotherapie bij ernstige persoonlijkheidsstoornissen

voorzitter Greet Vanaerschot

 

S16.0 Inleiding

Greet Vanaerschot, professor, CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

In de loop van de afgelopen decennia zijn tal van vormen van psychotherapie voor ernstige persoonlijkheidsstoornissen ontwikkeld, geprotocolleerd en onderzocht op effectiviteit. Dit heeft empirische ondersteuning opgeleverd voor een aantal psychotherapieën voor de borderline persoonlijkheidsstoornis, zoals DGT, MBT, SFT en TFP. Deze geprotocolleerde psychotherapieën vertonen duidelijke verschillen, maar ook grote overeenkomsten. Naast deze vier meest bekende therapieën worden ook andere geprotocolleerde behandelvormen momenteel geïmplementeerd en onderzocht.

In deze presentaties worden de verschillen en overeenkomsten van de verschillende geprotocolleerde psychotherapieën bij patiënten met een (borderline) persoonlijkheidsstoornis gepresenteerd. Dit gebeurt vanuit een integratief perspectief, aan de hand van drie belangrijke thema’s: het kader waarbinnen de behandeling plaats moet vinden; het benaderen van grensoverschrijdend en (zelf)destructief gedrag; en de betekenis van de therapeutische relatie.

In plaats van een focus op een onderlinge rat race rondom het meest fortuinlijke behandelresultaat, lijkt het productiever om te focussen op common factors en individuele indicatiecriteria.

 

S16.1 Hoe organiseer je de basis voor psychotherapeutische behandeling?

Joost Hutsebaut, klinisch psycholoog-psychotherapeut, de Viersprong (Nederland) en Kenniscentrum Persoonlijkheidsstoornissen

 

Op basis van een review van de recente literatuur over overeenkomsten en verschillen tussen behandelvormen voor persoonlijkheidsstoornissen, en van gemeenschappelijke werkzame factoren in psychotherapie, wordt de algemene basis van goede psychotherapie voor persoonlijkheidsstoornissen geëxpliciteerd. Common factors vormen de basis voor een goede en effectieve psychotherapeutische behandeling. Daarmee blijkt een convergentie tussen de verschillende behandelvormen uit de multidisciplinaire richtlijn.

 

S16.2 Hoe begrens je destructief gedrag?

Theo Ingenhoven, psychiater/psychotherapeut, hoofd zorgprogramma persoonlijkheidsstoornissen en plv A-opleider, Pro Persona Centrum voor Psychotherapie, Lunteren

 

Suïcidale gestes, automutilatie, woede-uitbarstingen, impulsiviteit en schendingen van de behandelovereenkomst vormen gedragspatronen die een belangrijke rol spelen in de behandeling van patiënten met een ernstige persoonlijkheidspathologie, met name bij patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS). De vraag is welke basale interventies noodzakelijk zijn om dergelijk zelfdestructief gedrag onder controle te kunnen brengen en zodoende drop-out te kunnen voorkomen en een behandeling verder adequaat vorm te kunnen geven.

Op basis van een overzicht hoe verschillende behandelingen voor BPS omgaan met para-suïcidaal en therapie-interfererend gedrag worden verschillen en overeenkomsten in de benadering van dit gedrag in kaart gebracht.

 

S16.3 Hoe bewaak je de therapeutische relatie?

Greet Vanaerschot, professor, CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Het belang van de therapeutische relatie als context en middel tot therapeutische verandering en persoonlijke groei wordt meer en meer erkend in de verschillende psychotherapeutische behandelvormen voor patiënten met een (borderline) persoonlijkheidsstoornis. De kenmerken van een helende therapeutische relatie bij deze patiënten met vroegkinderlijke relationele kwetsuren worden geëxpliciteerd, en de cruciale betekenis van het bewaken en hanteren van de therapeutische relatie voor patiënten met een persoonlijkheidsstoornis wordt verduidelijkt. Het empathisch begrijpen van de fenomenologische wereld van de patiënt in combinatie met de proceskennis rond borderline belevingsprocessen zijn leidraad voor de keuze van de relationele belevingsfaciliterende interventies.


woensdag 17 september 2014 09u15-10u45

S17 Streven naar een tweesporenbeleid vanuit de unieke positie en combinatie van Dienst Psychosociale Expertise en Zorgequipes

voorzitter Astrid Boelaert, directeur, DG EPI Dienst Psychosociale Expertise FOD Justitie, Brussel

 

S17.1 Streven naar een tweesporenbeleid vanuit de Dienst Psychosociale Expertise

Nico Braspenning, adviseur, DG EPI Dienst Psychosociale Expertise FOD Justitie, Brussel

 

De dienst psychosociale expertise is erop gericht de wettelijk voorziene tegenindicaties in te schatten van elke gedetineerde/geïnterneerde via een geïndividualiseerd onderzoeksproces. Het in kaart brengen van het recidiverisico, de criminogene noden en de responsiviteitsfactoren, conform de RNR-principes, kan hierbij als één van de kerntaken beschouwd worden. Deze cartografie dient echter als een startpunt beschouwd te worden van een proces waarbij reeds tijdens detentie nagegaan wordt aan welke criminogene noden en/of protectieve factoren kan gewerkt worden en hoe dit dient verwezenlijkt te worden. Tevens wordt via de uitwerking van het reclasseringsplan aandacht besteed aan interventies die gericht zijn op het reduceren van de risicofactoren en het versterken van de protectieve factoren.

 

S17.2 Streven naar een tweesportenbeleid vanuit de Zorgequipe

Kurt Van Goethem, coördinator, DG EPI Zorgequipe FOD Justitie, Antwerpen

 

De psychomedische zorgequipes streven naar kwaliteitsvolle en gelijkwaardige psychiatrische en psychosociale bejegening tijdens detentie. Onze focus ligt op kwetsbare individuen waarbij we een passende persoonsgerichte begeleiding willen aanbieden rekening houdende met individuele noden, doelen en kwaliteiten maar eveneens met risicofactoren. De zorgequipes streven ernaar mogelijkheden te zoeken die de nadruk leggen op de eigen kracht van de geïnterneerde zonder beveiliging, detecteren van risico’s en begrenzing uit het oog te verliezen.

 

S17.3 De meerwaarde van een tweesporenbeleid binnen het gevangeniswezen

Astrid Boelaert, directeur, DG EPI Dienst Psychosociale Expertise FOD Justitie, Brussel

 

In het laatste deel worden de visies samen gebracht en verwerkt tot een concluderend geheel.

 

woensdag 17 september 2014 09u15-10u45

S18 Liaisonpsychiatrie

voorzitters Filip Van Den Eede & Joris Vandenberghe

 

S18.0 Inleiding

Filip Van Den Eede, prof. dr., Universitaire Ziekenhuisdienst Psychiatrie Antwerpen, campus UZA / CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

De liaisonpsychiatrie vormt bij uitstek een werkveld waarin zorgrelaties voortdurend in verandering zijn. Op inhoudelijk vlak behelst deze discipline een breed domein waarin de wetenschappelijke kennis snel evolueert. In de DSM-5 vonden er belangrijke wijzigingen plaats, die de conceptualisatie van de functionele stoornissen en het gebruik in de klinische praktijk ten goede komen.

In dit symposium worden de volgende capita selecta besproken: de farmacologische behandeling van multifactorieel delirium; het verband tussen tinnitus en angst; het verband tussen jeugdtraumata en postpartumdepressie en tot slot: de evaluatie wils- of beslissingsonbekwaamheid in liaisonpsychiatrie.

 

S18.1 Farmacologische behandeling van multifactorieel delirium: state of the art

Joris Vandenberghe, prof. dr., UPC KU Leuven / UZ Leuven

Filip Van Den Eede, prof. dr., Universitaire Ziekenhuisdienst Psychiatrie Antwerpen, campus UZA / CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Bij de farmacologische behandeling van multifactorieel delirium of delier is haloperidol reeds jarenlang eerstekeuzepreparaat in meestal lage dosis. De redenen hiervoor zijn de beschikbare evidentie (effectiviteit), de beperkte centrale en perifere anticholinerge effecten, de beperkte risico’s op sedatie en hypotensie en het gebruiksgemak (verschillende vormen: IM, IV en PO tabletten en druppels met mogelijkheid geïndividualiseerde titratie). Bij omkering van dagnachtritme en/of uitgesproken agitatie of onrust wordt vaak een (meestal kortwerkend) benzodiazepine toegevoegd.

In deze bijdrage onderzoeken we of recente onderzoeksbevindingen reden zijn om deze aanpak en voorkeurspositie van haloperidol in vraag te stellen. Een groeiend aantal onderzoeken toont de effectiviteit aan van de nieuwe generatie antipsychotica. We bespreken de evidentie over nevenwerkingen, tolerantie en risico’s van haloperidol en de nieuwe generatie antipsychotica, met aandacht voor extrapyramidale neveneffecten, hemodynamische effecten en QT-verlenging met risico op ritmestoornissen. We overlopen ook data over het mogelijk delierinducerende of -onderhoudende effect van benzodiazepines. Tot slot evalueren we of de eerder geschetste standaard aan herziening toe is en formuleren we aanbevelingen voor de praktijk.

Referenties

van der Mast, R.C., Huyse, F.J., Droogleever Fortuijn, H.A., Heeren, T.J., Izaks, G.J., Kalisvaart, C.J., Klijn, F.A.M., e.a., (2004). Richtlijn voor delirium, Richtlijncommissie delirium van de Commissie Kwaliteitszorg van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie

Tahir, T.A., Farewell, D. & Bisson, J. (2012). Randomised control trials for delirium: current evidence and statistical methods. J Psychosom Res, 72(1), 84-85

 

S18.2 Tinnitus en angst

Thomas Pattyn, dr, CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Tinnitus is de medische term voor oorsuizen en wordt gedefinieerd als een auditieve sensatie van geluid in afwezigheid van een geluidsstimulus. De levensprevalentie wordt geschat op 10 tot 15% in de bevolking; oorsuizen behoort tot een van de meest voorkomende oorklachten. De oorzaken zijn erg verschillend, gaande van ouderdomsdoofheid over lawaaischade naar het gebruik van bepaalde medicatie en/of allerlei afwijkingen van gehoorgang en hersenschors. In deze presentatie wordt vooreerst de comorbiditeit tussen tinnitus en psychiatrische stoornissen besproken, meer bepaald de angststoornissen. Daarna wordt de neurobiologische overlap besproken, met inbegrip van de resultaten van een recent onderzoek. Tot slot wordt de groeiende consensus in de behandeling van tinnitus besproken, met een bijzondere aandacht voor de psychosociale zorg.

Referentie

Krog, N., Enghadl, B. & Tambs, K. (2010). The association between tinnitus and mental health in a general population sample: Results from the HUNT study. Journals of Psychosomatic Research,  69, 289-298

 

S18.3 Jeugdtrauma en postpartumdepressie

Maud De Venter, dr, CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Onderzoek toont aan dat mensen die traumatische ervaringen hebben meegemaakt gedurende hun jeugd een hogere kans hebben om later een depressie te ontwikkelen. Er zijn ook aanwijzingen dat jeugdtraumata een voorbeschikkende factor zijn voor prenatale en postpartumdepressie. Na een kort literatuuroverzicht worden de resultaten van een prospectief onderzoek naar het effect van jeugdtraumata op de ontwikkeling van postpartumdepressie besproken.

Referentie

Meltzer-Brody, S., Boschloo, L., Jones, I., Sullivan, P., Penninx, B. (2013). The EPDS-Lifetime: assessment of lifetime prevalence and risk factors for perinatal depression in a large cohort of depressed women. Arch Women’s Health, 16(6), 465-473

 

S18.4 Evaluatie van wils- of beslissingsonbekwaamheid in liaisonpsychiatrie

Joris Vandenberghe, prof. dr., UPC KU Leuven / UZ Leuven

 

Als patiënten een noodzakelijk geacht onderzoek of behandeling weigeren, als ze tegen medisch advies het ziekenhuis willen verlaten of als ze om euthanasie verzoeken, wordt de liaisonpsychiater vaak in consult gevraagd om de wils- of beslissingsbekwaamheid van deze patiënten te evalueren. In de wet betreffende de rechten van de patiënt en in de euthanasiewet heeft beslissingsbekwaamheid een centrale positie met belangrijke gevolgen. Na een conceptuele uitklaring (definitie, algemene versus specifieke beslissingsbekwaamheid, gradueel versus drempelmodel, gevolgafhankelijk versus gevolgonafhankelijk model) bespreken we naast dit juridische perspectief enkele ethische en klinische aspecten van beslissingsbekwaamheid, o.a. de klinische evaluatie van (de verschillende componenten van) beslissingsbekwaamheid en het eventueel gebruik van meetinstrumenten. We eindigen met klinische aanbevelingen en met een bespreking van de kritiek op deze conceptualisering en operationalisering van beslissings(on)bekwaamheid.

Referenties

Dunn, L.B., Nowrangi, M.A., Palmer, B.W., Jeste, D.V., Saks, E.R. (2006). Assessing decisional capacity for clinical research or treatment: a review of instruments. Am J Psychiatry, 163(8), 1323-1334

Vellinga, A., Vandenberghe, J. (2010). Wilsonbekwaamheid. In: van der Mast R., Heeren T., Kat M., Stek M., Vandenbulcke M., Verhey F. (Eds.), Handboek ouderenpsychiatrie, Chapt. 13.1. Utrecht: De Tijdstroom, 167-182

 

woensdag 17 september 2014 09u15-10u45

S19 EEG: als middel voor de zoektocht naar elektrofysiologische correlaten van de cognitieve en sociaal cognitieve afwijkingen bij psychiatrische aandoeningen en onder invloed van oxytocine

voorzitters Manuel Morrens & Ellen de Bruijn

 

S19.0 Inleiding

Manuel Morrens, psychiater, onderzoeker, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen

Verschillende psychiatrische aandoeningen zoals psychotische en affectieve stoornissen worden gekenmerkt door neurocognitieve problemen (verstoringen in aandacht, geheugen, executieve functies, etc.) en psychomotorische beperkingen, die geassocieerd zijn aan sociaal en klinisch functioneren. Bovendien krijgen de laatste jaren verstoringen in sociaal cognitieve functies bij deze aandoeningen veel aandacht omwille van de modererende rol van deze verstoringen tussen cognitieve symptomen en algemeen functioneren. Niet onbelangrijk worden binnen gezonde populaties ook studies uitgevoerd waarbij men hun sociaal functioneren net probeert te beïnvloeden met het hormoon oxytocine. Op deze manier leren we dan ook meer over de werking van het sociaal construct bij gezonde mensen. Dit samen met gelijkaardig onderzoek bij psychiatrische populaties leert ons om de sociale problemen en de daaruit volgende functionele problemen bij deze patiëntengroepen beter te begrijpen. Aan de hand van electro-encefalografie of EEG kunnen de processen onderliggend aan deze cognitieve en sociaal cognitieve afwijkingen gemeten worden met een hoge temporele resolutie.

Tijdens het symposium wordt er dieper ingegaan  op EEG-onderzoek naar neurocognitieve en sociaal cognitieve afwijkingen bij schizofrenie en bipolaire stoornis. Verder worden er ook EEG-data besproken over de invloed van oxytocine op sociale processen bij gezonde personen.

 

S19.1 Oeps... sorry! De effecten van oxytocine op het maken van fouten in een sociale context

Ellen de Bruijn, onderzoekster, CAPRI, Universiteit Antwerpen/ Klinische, gezondheids- en neuropsychologie, Universiteit Leiden

 

Bijna al ons gedrag vindt plaats in een sociale context. Hierdoor kunnen onze acties ook de mensen rondom ons beïnvloeden. Het maken van fouten is een goed voorbeeld hiervan, omdat fouten vaak niet alleen negatieve gevolgen voor onszelf, maar juist ook voor anderen kunnen hebben. Goed omgaan met fouten en ze snel kunnen detecteren of corrigeren, zorgt ervoor dat mensen veilig en flexibel kunnen handelen. Dit proces is vaak verstoord bij mensen met een psychiatrische aandoening. We weten echter nog weinig over de verstoringen van sociale aspecten van dit proces en de onderliggende neurobiologische systemen. Het hormoon oxytocine heeft de laatste jaren veel aandacht gekregen vanwege de positieve effecten op sociaal gedrag.

Ik presenteer resultaten van een recent placebo-gecontroleerd dubbelblind EEG-onderzoek waarin de neurale correlaten van foutendetectie in een sociale context zijn onderzocht. Specifiek hebben we twee typen fouten met elkaar vergeleken: fouten die geen consequenties voor anderen hebben versus fouten die wel negatieve gevolgen voor anderen hebben. Gezonde vrijwilligers (N=24) deden een reactietijdtaak op de computer in twee sessies. In één sessie werd oxytocine via een neusspray toegediend, in de andere sessie kregen ze een placebo. De proefpersonen voerden in paren de computertaak uit. De bevindingen van deze studie worden gepresenteerd en geplaatst binnen bestaande theorieën van foutendetectie, de rol van oxytocine en het belang hiervan voor psychiatrische aandoeningen waar problemen in sociaal functioneren een centrale rol spelen.

 

S19.2 Elektrofysiologische correlaten van sociale processen bij schizofrenie

Javier de la Asuncion, onderzoeker, CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Buiten de positieve en negatieve symptomen die voorkomen bij schizofrenie is er gedurende de laatste decennia een consensus dat deze patiëntengroep ook lijdt aan sociaal cognitieve beperkingen. Recent onderzoek geeft aan dat het net deze sociaal cognitieve beperkingen zijn die een sterke impact hebben op het verslechterd maatschappelijk functioneren van deze patiënten. Om deze patiënten beter te kunnen helpen is het dan ook belangrijk meer diepgaand onderzoek uit te voeren naar de onderliggende processen die deze sociale gedragingen sturen. Onderzoek naar zulke sociale processen zijn eerder al uitgevoerd bij gezonde populaties. Hierbij vond men dat onder sociale omstandigheden waarbij twee mensen gelijktijdig een taak uitvoeren, de kennis over de opdracht van de andere persoon geïntegreerd wordt in iemands eigen actieproces (i.e., self-other integation). Dit was zowel zichtbaar op gedragsmatig niveau (tijdens actieplanning) als op elektrofysiologisch niveau (tijdens het controleren/inhiberen van een actie). Omwille van de gekende sociale beperkingen bij schizofreniepatiënten, hebben wij met een zogenaamde Sociale Simon Taak (SST) en simultane EEG-metingen onderzocht of schizofreniepatiënten ook afwijkingen vertonen op deze lagere orde sociale processen.

Resultaten tonen aan dat patiënten met schizofrenie voornamelijk op elektrofysiologisch niveau verschillen tonen met gezonde personen tijdens het uitvoeren van de SST. Dit ondersteunt het idee dat de sociale problemen die deze patiënten vertonen al gestuurd worden vanuit lagere orde (meer automatische) sociaal-cognitieve processen die mogelijks ook de problemen in het dagelijks sociaal leven verklaren.

 

S19.3 Sociale cognitie van pool tot pool

Anke Temmerman, onderzoekster, CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Bipolaire stoornis is een ernstige en invaliderende psychiatrische aandoening met vaak significante sociale en functionele problemen tot gevolg. Onderzoek bij andere psychiatrische stoornissen zoals schizofrenie suggereert een cruciale rol van sociaal-cognitieve deficieten in het dagelijks functioneren. Sociale cognitie is een cognitief domein dat betrokken is bij de perceptie, interpretatie en verwerking van sociale informatie en speelt dus een belangrijke rol in het begrijpen van sociaal gedrag en de ruimere sociale omgeving. Ondanks de belangrijke impact van sociaal-cognitieve disfuncties, is er tot op heden nog steeds veel onduidelijkheid over de mate van aantasting van sociaal-cognitieve processen bij personen met een bipolaire stoornis.

In deze bijdrage worden de eerste elektrofysiologische resultaten voorgesteld van een studie naar een belangrijk subdomein van sociale cognitie, namelijk emotieperceptie, bij personen met een bipolaire stoornis.

 

S19.4 EEG evidence for reduced performance-monitoring in euthymic bipolar disorder

Anne Morsel, onderzoekster, CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Afgezien van stemmingswisselingen, zijn er heel wat veel cognitieve tekorten aanwezig bij de bipolaire stoornis (BD). Actiemonitoring (PM) is een belangrijk aspect van executief functioneren, en houdt continue monitoring van het gedrag en aanpassingen van gedrag in wanneer er een fout wordt gemaakt. Op neurofysiologisch niveau weerspiegelt de fout-gerelateerde negativiteit (ERN) - een event-gerelateerde hersenactiviteit (ERP) gegenereerd in de anterior cingulate cortex (ACC) - dit proces van gedragsmonitoring.

Abnormale ERN-amplitudes worden waargenomen in de belangrijke psychiatrische stoornissen. Echter, ondanks tegenstrijdig bewijs over de rol van de ACC in bipolaire stoornis zijn er tot op heden geen studies die peilden naar PM in de ERN in BD. Zestien patiënten met bipolaire stoornis in een euthymic staat en veertien gezonde controlepersonen voerden een versnelde tweekeuze reactietijdopracht uit (Flankerstaak) waarvan de EEG-maten werden verzameld. Gedrags- en ERP-metingen werden geanalyseerd voor de twee groepen. De BD-patiënten scoorden hoger op depressieve symptomen dan de gezonde controlepersonen. Hoewel er geen groepsverschillen in gedrag werden gevonden, tonen de BD-patiënten lagere ERN-amplitudes dan gezonde controlepersonen na correctie voor de effecten van de restsymptomen. Dit weerspiegelt verminderde PM en vult de huidige kennis over het executief functioneren in BD aan. Belangrijk is dat deze bevindingen kunnen bijdragen om de tegenstrijdige resultaten over de relatie ACC-BD te verklaren. Restsymptomen zouden grote invloed kunnen hebben op foutgerelateerde ACC-activiteit en van cruciaal belang zijn voor het begrijpen van de cognitieve tekorten in BD.

Deze bijdrage wordt in het Engels gepresenteerd.

 

woensdag 17 september 2014 09u15-10u45

S20 Multidisciplinaire strength-based strategieën voor mentally ill offenders

voorzitters Els Schipaanboord & Tom Vander Beken

 

Het symposium licht een multidisciplinair onderzoeksproject (2014-2019) toe. Het project heeft tot doel een aantal multidisciplinaire (juridische, criminologische, psychosociale en medisch-psychiatrische) strategieën te ontwikkelen waarin een alternatief geboden wordt voor de huidige dominante risicogerichte aanpak van mensen met een psychiatrische stoornis die strafbare feiten hebben gepleegd en de gevolgen daarvan.

 

S20.0 Juridische mogelijkheden

Els Schipaanboord, Universiteit Gent

Tom Vander Beken, hoogleraar, Universiteit Gent

 

Wat zijn de juridische mogelijkheden om de rechtspositie van mensen met een psychiatrische stoornis die strafbare feiten hebben gepleegd binnen het strafrechtelijk systeem te verbeteren en hun juridische bekwaamheid te vergroten (bijvoorbeeld in het kader van gerechtelijke alternatieve maatregelen)?

 

S20.1 Sterkegerichte psychiatrische evaluatie-instrumenten

Ciska Wittouck, Universiteit Gen

Kurt Audenaert, kliniekhoofd, UZ Gent

 

Welke psychiatrische evaluatie-instrumenten laten toe om ook sterktes van mensen met een psychiatrische stoornis die strafbare feiten hebben gepleegd in kaart te brengen en hoe kunnen deze instrumenten in de medisch-juridische expertise worden geïntegreerd?

 

S20.2 Ervaringen van de doelgroep

Sofie Van Roeyen, Universiteit Gent

Freya Vander Laenen, hoofddocent, Universiteit Gent

 

Hoe ervaren mensen met een psychiatrische stoornis die strafbare feiten hebben gepleegd specifieke levensgebeurtenissen (werk, huwelijk,...) die als keerpunten in het plegen van criminaliteit kunnen worden beschouwd en hoe kunnen deze keerpunten worden versterkt?

 

S20.3 Sterktegericht herstelmodel voor behandeling en zorg

Natalie Aga, Universiteit Gent

Wouter Vanderplasschen, docent, Universiteit Gent

 

Kan een strengths-based herstelmodel voor de behandeling en zorg van mensen met een psychiatrische stoornis die strafbare feiten hebben gepleegd worden ontwikkeld dat bijdraagt tot een respectvolle, constructieve en een passende behandeling?

 

S20.4 Familie en sociale netwerken in een herstelmodel

Sara Rowaert, Universiteit Gent

Stijn Vandevelde, docent, Universiteit Gent

 

Hoe worden familie en sociale netwerken beïnvloed door de aanwezigheid van een familielid dat psychisch ziek is en hoe kan de ondersteuning van familie en sociale netwerken geïntegreerd worden in een herstelmodel?

 

woensdag 17 september 2014 09u15-10u45

S21 Wie ben ik voor mezelf?

voorzitter Nele Fiers

 

S21.0 Inleiding

Nele Fiers, muziektherapeut, kliniek Sint-Jozef Pittem

 

In dit symposium belichten we vanuit verschillende invalshoeken de muziektherapeutische behandeling van personen met een identiteitsproblematiek die in relatie staat tot een traumatische voorgeschiedenis. Welke invloed heeft het trauma gehad op hun identiteitsontwikkeling, en wie zijn zij voor zichzelf? Tijdens het muziektherapeutische proces kan bij de patiënt het vertrouwen groeien om terug op een basaal, affectief niveau te voelen en te ervaren. Deze authentieke belevingen kunnen een ruimte creëren voor het (opnieuw) op gang brengen van een gezonde ontwikkeling. Op welke manier kan muziek inhaken op de identiteit van een persoon? Is er hierbij een rol weggelegd voor de menselijke stem? Welke dynamieken kunnen ontstaan in de gedeelde muzikale improvisatie van patiënt en therapeut en hoe kan hiermee gewerkt worden? Welke zijn de valkuilen in een dergelijk proces? Gaat het over intuïtie of techniek?

Casusmateriaal en audiofragmenten maken het mogelijk om een impressie te krijgen van de werking van preverbale therapie bij de behandeling van traumapatiënten en creëren de opportuniteit om met de toehoorders in discussie te treden.

 

S21.1 Wie ben ik voor mezelf? Trauma en de stem

Karolien Moers, muziektherapeut, Psycho-sociaal Centrum, Leuven

 

In deze bijdrage wordt, gesteund door geluidsopnames, een beeld geschetst van een langdurige deeltijdse therapie van een vrouw met een traumatische kindertijd. Tijdens het verloop van de muziektherapie ontstond stilaan een therapeutische relatie waarin een holding van de muziektherapeute toegelaten kon worden. Dit werd een basis voor de zoektocht naar de eigen identiteit van deze vrouw. Binnen de transitionele ruimte van de improvisatie kon langzaamaan een beweging ontstaan van symbiose naar autonomie. In onze zoektocht naar haar eigen zangstem was er uiteindelijk sprake van subjectwording. Bij de afronding van de therapie botsten we op de moeilijkheid van het afscheid, mede door de intensiteit van het proces en de beperking door de vooropgestelde opnameduur.

Aan de hand van deze casus wordt de traumaverwerking via de stem belicht in een muziektherapeutische context. Er wordt stilgestaan bij de rol van de muziektherapeute in het proces en op welke wijze de overdrachtsrelatie mee beweegt met de ontwikkeling van de patiënte.

 

S21.2 Wie ben ik voor mezelf? Ambiguïteit van de klank

Lotte Kennivé, muziektherapeut, Elim, Kapellen

 

In deze bijdrage wordt stilgestaan bij het proces van een jonge vrouw wiens zelfbeleving en functioneren verweven zijn met traumatische ervaringen van vroeger. Tijdens gedeelde improvisaties aan de piano is het voor de vrouw balanceren op een slap koord om een affectieve beleving toe te laten zonder het contact met zichzelf te verliezen en in een dissociatieve toestand terecht te komen. Geïllustreerd met audiofragmenten wordt dieper ingegaan op de ambiguïteit van het mogen klinken in de therapeutische relatie, het zoeken naar afbakening en het kunnen toe-eigenen van een authentiek gevormd spel.

 

S21.3 Wie ben ik voor mezelf? Over lange adem en onbeluisterde improvisaties

Nele Fiers, muziektherapeut, kliniek Sint-Jozef, Pittem

 

Ella, een jonge moeder die als kind zwaar misbruikt werd, ervaart een basaal tekort in haar identiteit: “Ik kan niet expressief zijn”. Traumatische ervaringen hebben haar vroegkinderlijke spontaneïteit afgesplitst, ze kan niet meer spelen. Ella verbaliseert op een neurotisch niveau, maar beleving blijft zoek. Elke vorm van emotie is woordeloos, maar uit zich in extreme symptomen. Muziektherapie is bijna ondraaglijk: ze verkeert in de onmogelijkheid zelf te spelen, anderen zien spelen is frustrerend en vaak onhoudbaar.

Bij een heropname spreekt ze de muziektherapeut aan: “Jouw therapie is wat mijn heropname het ergst maakt”. Angst voor en verlangen naar een nieuwe, ‘good enough’-moeder zijn hier onlosmakelijk verbonden. Het voorbereidende werk in de eerste opname van Ella, waar ze de draagkracht van de therapeut testte, geeft haar nu de ruimte om emoties te gaan evacueren. Een proces van lange adem en onbeluisterde improvisaties.

 

woensdag 17 september 2014 11u15-12u45

S22 De kracht van zelfbeschikking: autonomie-ondersteuning in de praktijk van een gespecialiseerde behandelafdeling voor adolescenten en (jong)volwassenen met een eetstoornis

voorzitter Katrien Schoevaerts

 

S22.0 Inleiding

Katrien Schoevaerts, psychiater, afdeling Ter Berken, Broeders Alexianen Tienen/ wetenschappelijk medewerker KULeuven

 

Op de gespecialiseerde behandelafdeling voor adolescenten en (jong)volwassenen met een eetstoornis, Ter Berken van de Broeders Alexianen Tienen, wordt de Zelf-Determinatie Theorie als rode draad in de multidisciplinaire therapeutische behandeling gehanteerd. De Zelf-Determinatie Theorie stelt dat een optimaal functioneren en een optimale persoonlijke groei in de hand worden gewerkt door te voldoen aan drie psychologische basisbehoeften, zijnde autonomie, relationele verbondenheid en competentie.

In dit symposium lichten we de klinische praktijk en enkele onderzoeksbevindingen toe van de toepassing van deze theorie op de afdeling Ter Berken.

Referenties

Depestele, L., Claes, L. & Lemmens, G. (in submission). Promotion of an autonomy-supportive parenting style in a multi-family group for eating disordered adolescents

Ryan, R. M. & Deci, E. L. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. American Psychologist, 55, 68-78

van der Kaap-Deeder, J., Vansteenkiste, M., Soenens, B., Verstuyf, J., Boone, L., Smets J. (in submission). Fostering Self-Endorsed Change in Patients with an Eating Disorder: The Role of Perceived Autonomy Support and Psychological Need Satisfaction

Vansteenkiste, M. & Soenens, B. (2013).Vitamines van groei: Over de motiverende rol van ouders in de opvoeding. Gent, Academia Press

 

S22.1 Het stimuleren van optimale motivatie bij eetstoornispatiënten. De rol van autonomie-ondersteuning en psychologische behoeftesatisfactie

Jolene van der Kaap-Deeder, PhD i.o., Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie, Universiteit Gent

 

De Zelf-Determinatie Theorie stelt dat de bevrediging van de drie psychologische basisbehoeftes aan autonomie (d.w.z., het ervaren van een gevoel van psychologische vrijheid), competentie (d.w.z., zich als succesvol ervaren), en relationele verbondenheid (d.w.z. een warme band ervaren) de motor vormt voor de motivatie, het welbevinden en de psychologische groei van patiënten.

In deze longitudinale studie bij een groep patiënten met een eetstoornis (N = 84) werd de samenhang tussen een autonomie-ondersteunende aanpak, vanwege zowel ouders, hulpverleners, als medepatiënten, behoeftesatisfactie en motivatie onderzocht. De relevante variabelen werden op drie momenten gemeten, namelijk in het begin van de behandeling, na 14 dagen en aan het einde. Een autonomie-ondersteunende aanpak houdt onder andere het bieden van keuzemogelijkheden in, het geven van een zinvolle uitleg en het werken vanuit het perspectief van de patiënt.

Resultaten lieten zien dat autonomie-ondersteuning ervaren vanuit ouders, hulpverleners én medepatiënten bijdroeg aan optimale motivatie via het bevredigen van de drie basisbehoeftes. Een verschuiving in optimale motivatie bleek op zijn beurt gelinkt aan toenames in gewichtsverandering doorheen de therapie. De praktische relevantie van deze resultaten wordt tijdens de presentatie belicht.

 

S22.2 Samen uit, samen sterk, samen thuis: familiegroepstherapie tijdens de opname van jongeren met een eetstoornis

Lies Depestele, gezinstherapeut, afdeling Ter Berken, Broeders Alexianen Tienen / wetenschappelijk medewerker, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, KULeuven

 

Binnen een specialistische behandelafdeling voor jongeren met een eetstoornis wordt gewerkt volgens de principes van groepstherapie en de Zelf-Determinatie Theorie. Omdat gezinstherapie aangewezen is bij jongeren met een eetstoornis werd in lijn met het genoemde therapeutisch kader een familiegroepsinterventie ontwikkeld als module binnen het behandeltraject. Deze interventie bestaat uit zes gestructureerde groepssessies tijdens de opname en een terugkomsessie na de opname waaraan zowel ouders als de opgenomen dochters (max. zes gezinnen) deelnemen met als voornaamste doel: gezinnen ondersteunen in het omgaan met de eetstoornis thuis zodat de eetstoornis minder centraal komt te staan. Tijdens de sessies wordt gewerkt met therapeutische oefeningen waarbij ouders direct en indirect gestimuleerd worden in het hanteren van een autonomie-ondersteunende ouderlijke stijl in het omgaan met de eetstoornis van hun dochter.

 

S22.3 Autonomie-ondersteunende verpleegkundige benadering ten aanzien van zelfverwondend gedrag op een gespecialiseerde behandelafdeling voor adolescenten en (jong)volwassenen met een eetstoornis

Filip Berwaerts, verpleegkundige, afdeling Ter Berken Broeders Alexianen Tienen

 

Op de gespecialiseerde behandelafdeling voor adolescenten en (jong)volwassenen met een eetstoornis wordt de Zelf-Determinatie Theorie multidisciplinair toegepast. Voor verpleegkundigen die in nabije opvolging en begeleiding voorzien vormt autonomie-ondersteunend werk een dagelijkse uitdaging bij jonge patiënten met een eetstoornis waarbij bovendien ook geregeld zelfverwondend gedrag wordt gesteld.

We lichten de verpleegkundige praktijk op de afdeling Ter Berken toe.

 

S22.4 Discussie

Maarten Vansteenkiste, prof. Dr., Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie, Universiteit Gent

Prof. Dr. Maarten Vansteenkiste medieert de discussie.

 

woensdag 17 september 2014 11u15-12u45

S23 Meer is in ons!

voorzitter Jan Cambien, beleidspsychiater, CGG Andante, Merksem

 

S23.0 Inleiding

Leen van Assche, doelgroepcoordinator volwassenen en ouderen, CGG Andante, Berchem

 

Met dit symposium willen we als cgg enkele nieuwe ontwikkelingen binnen ons zorgaanbod onder de aandacht brengen. Met het woord ‘meer’ in de titel ‘Meer is in ons!’ verwijzen we naar ‘meerdere’ zaken:

  • Het gaat om zorgvormen welke gelijktijdig aan ‘meerdere’ cliënten worden aangeboden, nl. in groep.
  • We doen ‘meer’ dan wat we doorgaans het meest doen: cliënten zien binnen een 1-op-1 setting waarbinnen het verbale centraal staat.
  • Het gaat om ‘meer’ en andere dimensies/aspecten van het mens zijn dan welke we tot nu toe centraal stelden. We stellen ‘de werkende mens’, ‘de vergetende mens’ en ‘de muzische mens’ voorop.
  • We werken dit zorgaanbod niet alleen uit, wel in samenwerking met ‘meerdere’ (niet ggz-partners): VDAB en GTB, het Zorgbedrijf, en LUCA (voorheen Lemmensinstituut).
  • Tot slot verwijst het woord ‘meer’ ook naar wat wij als een verrijkende uitbreiding van ons zorgaanbod ervaren.

 

S23.1 De werkende mens

Pierre Mertens, psychotherapeut, CGG Andante, Merksem

Katrien Salomez

 

CGG Andante is sinds 2009 zorgpartner binnen de TAZ (Tender Activering Zorg). Met de TAZ stelt de Vlaamse Overheid middelen ter beschikking voor de begeleiding van langdurig werklozen met ernstige en langdurige medische, mentale, psychische en/of psychiatrische problemen (MMPP). Vanuit dit TAZ-werk is een specifiek groepsaanbod ontstaan waarin ‘de werkende mens’ centraal staat en arbeid een centraal thema is. De eigenheid van de TAZ-doelgroep en de specifieke hulpverleningscontext (in opdracht van de VDAB en in nauwe samenwerking met GTB) maken dit zorgaanbod tot iets bijzonders.

 

S23.2 De vergetende mens

Veerle Vervrangen, psychotherapeut, CGG Andante, Merksem

Margot Buysschaert

 

Op vraag van en in samenwerking met het Zorgbedrijf starten we met een specifiek groepsaanbod voor mensen met een beginnende dementie ofte onomkeerbare geheugenproblemen, zijnde ‘de vergetende mens’. Naast voor de hand liggende doelstellingen als betere verwerking van de ziekte, optimaliseren van de levenskwaliteit, betere coping bij het omgaan met symptomen, streven we ook minder voor de hand liggende doelstellingen na, zo ook m.b.t. de levenskwaliteit van de mantelzorger. We vertellen het verhaal van dit boeiende pilootproject.

 

S23.3 De muzische mens

Katrien Foubert, muziektherapeut, LUCA, Leuven

Aje Vloeberghs

 

Wat zijn de mogelijkheden en grenzen van ambulante groepsmuziektherapie binnen een cgg?

Deze vraag werd in een samenwerking met LUCA door middel van een toonaangevend pilootproject afgetast.

De reflecties en bevindingen hiervan worden geïllustreerd met impressies uit de muziektherapeutische praktijk.

 

woensdag 17 september 2014 11u15-12u45

S24 Wetenschappelijk verpleegkundig onderzoek naar acute psychiatrische zorg

voorzitter Didier Schrijvers

 

S24.0 Inleiding

Didier Schrijvers, psychiater, Psychiatrisch Ziekenhuis, Duffel

 

Het symposium geeft een overzicht van belangrijke topics en lopend verpleegkundig wetenschappelijk onderzoek rond acute psychiatrische zorg binnen het Psychiatrisch Ziekenhuis Duffel.

 

S24.1 Nieuwe organisatie in de ggz…acutere zorg…meer dwang- en drangmiddelen?

Roel Storms, Psychiatrisch Ziekenhuis, Duffel

 

De incidentie van agressie in acute opnamesettingen blijkt de laatste jaren toe te nemen (Foster et al., 2007). De uitbreiding van de extramurale zorg leidt ertoe dat de ernst en zorgzwaarte van problematieken op acute opname-afdelingen sterk is toegenomen. Afzondering, fixatie of dwangmedicatie zijn vaak genomen maatregelen bij een agressief incident. Nochtans perken afzondering en fixatie de vrijheid van de patiënt in en worden deze maatregelen door zowel patiënt als personeel als ingrijpend of traumatiserend ervaren.

Recent startte in het psychiatrisch ziekenhuis te Duffel een project om de incidentie van dwang- en drangmaatregelen bij opname in kaart te brengen, alsook beïnvloedende factoren hierop. Op basis van deze cijfers zal getracht worden verbeteracties te definiëren teneinde de acute psychiatrische zorg nog meer te optimaliseren.

Tijdens deze presentatie wordt een overzicht gegeven van de bestaande literatuur en worden de eerste resultaten en conclusies besproken.

 

S24.2 Objectieve versus subjectieve risicotaxatie van de suïcidale patiënt

Tine Maes, Psychiatrisch Ziekenhuis, Duffel

 

Doel

Het Vlaamse suïcidecijfer ligt 1,5 keer hoger dan het EU-gemiddelde. Dit onderzoek wenst een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de risicotaxatie van (para)suïcidaal gedrag. Er is een belangrijke rol weggelegd voor de geestelijke gezondheidszorg bij het inschatten van suïcidaal gedrag tijdens de opname. Het is van belang dat de verpleegkundigen in het eerste contact met een patiënt een inschatting maken van diens suïcidaal gedrag. Dit onderzoek gaat in op de inschatting van (para)suïcidaal gedrag door verpleegkundigen in een residentiële psychiatrische setting.

Methode

Het onderzoek richt zich op het verschil tussen de objectieve en subjectieve risicotaxatie van (para)suïcidaal gedrag door verpleegkundigen. Het verband met voorgaande ervaringen met suïcide en de copingstijl van de verpleegkundigen op het verschil in risicotaxatie werd nagegaan. Verpleegkundigen hebben een vragenlijst ingevuld over vorige ervaringen met suïcidaal gedrag, de copingstijl werd gemeten met de Coping Inventory for Stressful Situations (CISS). De subjectieve inschatting van het suïcidaal gedrag gebeurde aan de hand van een vragenlijst. De objectieve inschatting met de Nurses Global Assessment of Suicide Risk Scale (NGASR), Beck Depression Inventory-Second Edition (BDI-II) en Hamilton Depression Rating Scale (HDRS).

Resultaten

In dit onderzoek is er een significant (p=0.001) verschil gevonden tussen de subjectieve risicotaxatie van (para)suïcidaal gedrag door verpleegkundigen en de objectieve risicotaxatie. Afleiding zoeken als copingstijl heeft een significant (p=0.025) positief verband met het verschil in risicotaxatie van suïcidaal gedrag.

Conclusie

Er bestaat een significant verschil in de objectieve en de subjectieve inschatting van suïcidaal gedrag door verpleegkundigen.

 

S24.3 Angst voor elektroconvulsietherapie

Rita Vervaet, Psychiatrisch Ziekenhuis, Duffel

 

Elektroconvulsietherapie (ECT) is een zeer effectieve behandelmethode bij welbepaalde psychiatrische indicaties, namelijk ernstige en/of psychotische depressie, bipolaire stoornis, therapieresistente schizofrenie en katatonie. ECT wordt al meer dan zeventig jaar toegepast en wordt algemeen beschouwd als een veilige behandeling.

De objectieve wetenschappelijke rapporten rond de veiligheid van deze behandeling staan echter in schril contrast tot de subjectieve beleving van de patiënten aangemeld voor ECT. Zij verwachten dan ook pijn, schokken, permanent geheugenverlies en onherstelbare hersenbeschadiging. Dit leidt tot sterk toegenomen angstniveaus, vaak in combinatie met de reeds aanwezige angstsymptomen kaderend binnen het psychiatrische toestandsbeeld. Deze angst zorgt voor een oncomfortabel gevoel bij de patiënt en kan leiden tot weigering van de behandeling of stopzetting van de kuur.

Nog weinig onderzoek werd verricht naar de incidentie, intensiteit en duur van angstniveaus bij ECT-patiënten voorafgaand aan en tijdens de ECT-behandelkuur. Het in kaart brengen van de angstniveaus en mogelijk beïnvloedende factoren is van groot belang, niet alleen om het comfort van de patiënt te waarborgen maar ook om de compliance te verhogen.

De presentatie beoogt een overzicht te geven van factoren betrokken bij de ECT-gerelateerde angst, en hoe deze angst kan vermeden of gereduceerd worden. Tevens worden de eerste resultaten van een onderzoek voorgesteld dat de evolutie van deze angstniveaus tijdens een ECT-kuur in kaart heeft gebracht.

 

woensdag 17 september 2014 11u15-12u45

S25 Jij ook?! De kracht van laagdrempelige groepswerkingen rond geestelijke gezondheidszorg

voorzitter Thierry Christiaens

 

S25.0 Inleiding

Thierry Christiaens, professor huisartsgeneeskunde en eerstelijnsgezondheidszorg-huisarts, Universiteit Gent / Wijkgezondheidscentrum Brugse Poort, Gent

 

Het is een bekend gegeven dat mensen uit sociaal-economisch zwakkere groepen en/of mensen met een migratie-achtergrond vaker psychische klachten hebben en moeilijk de weg vinden naar de reguliere geestelijke gezondheidszorg. Om aan deze noden tegemoet te komen werd in de afgelopen jaren binnen de eerstelijnsgezondheidszorg, soms ook onder vorm van outreachende initiatieven vanuit de tweede lijn, van start gegaan met diverse vormen van groepswerkingen inzake geestelijke gezondheidszorg.

De kracht van deze groepswerkingen blijkt te liggen in het doorbreken van het isolement van de deelnemers, het aansluiten bij hun bekommernissen, het inspelen op en het aanspreken van hun eigen vaardigheden, het van daaruit bouwen of uitbreiden van het sociaal netwerk. In deze bijdrage stellen we een aantal van dergelijke initiatieven voor. We belichten de eigenheid van elk initiatief maar staan ook stil bij wat hen onderling bindt. Na een korte inleiding door de voorzitter worden de vier initiatieven voorgesteld. Daarna vormen de verschillende sprekers een panel en wordt er onder moderatie van de voorzitter kort ingegaan op vragen.

 

S25.1 Veerkrachtig blijven als mantelzorger. Praatgroep voor allochtone mantelzorgers uit een kansarme buurt

Semiye Tas, suïcidepreventiewerker, CGG Brussel

Sonia M´Zid, stafmedewerkster, Bilobahuis

Bram Gilles, coördinator, Bilobahuis


In deze bijdrage presenteren we een initiatief dat tot stand kwam in een samenwerkingsverband tussen de süicidepreventiewerking en de cultuursensitieve zorg van CGG Brussel en het Bilobahuis, Lokaal dienstencentrum Aksent. Het initiatief richt zich tot kwetsbare senioren woonachtig in een kansarme buurt op de grens van Schaarbeek en Sint-Joost. De senioren die aan de groep deelnemen, komen uit diverse etnisch-culturele groepen en hebben vaak te kampen met armoede.

De praatgroep heeft als doelstelling een aantal thema’s met deze mensen bespreekbaar te maken. Welke factoren dragen bij tot hun veerkracht? Wat motiveert hen tot mantelzorg (ondanks een gebrek aan aangepaste medische en geestelijke gezondheidszorg)? Daarnaast willen we het sociaal contact en de zelfzorg bij deze mensen stimuleren en hen in hun deskundigheid als mantelzorgers valideren. We bespreken kort de mogelijke uitdagingen, succesfactoren en valkuilen in de praktische aanpak van de groep.

 

S25.2 Met milde aandacht: mindfulnesstraining op maat van kwetsbare doelgroepen

Kristel Luyckx, praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg, Wijkgezondheidscentrum Brugse Poort, Gent

 

Vanuit de vaststelling dat mindfulnesstraining effectief is maar de meest kwetsbare patiëntengroep omwille van financiële en sociaal-culturele drempels niet bereikt, maakte het wijkgezondheidscentrum Brugse Poort mindfulness via een training op maat toegankelijk voor deze groep. De training wordt op laagdrempelige wijze aangeboden aan diverse groepen kwetsbare patiënten (mensen die in armoede leven, patiënten met migratie-achtergrond).

Gedurende deze training wordt met zorg omgegaan met de gevoelens van eenzaamheid en uitsluiting. Het blijkt dat een respectvolle, ruimtescheppende bejegening waarbinnen de deelnemers ontdekken wat een mildere omgang met zichzelf en anderen betekent, zorgt voor een grote betrokkenheid van de deelnemers jegens elkaar en een minder veroordelende omgang met zichzelf. Dit heeft dan weer invloed op het psychisch welbevinden en versterkt de veerkracht van de deelnemers.

In deze bijdrage lichten we toe hoe de training wordt opgezet en welke interventies er worden gedaan om de training op maat van de patiëntengroep vorm te geven.

 

S25.3 Vaderbetrokkenheid: vadergroep in Brussel

Redouane Ben Driss, psycholoog-psychotherapeut, CGG Brussel

 

Vaderbetrokkenheid draagt niet alleen bij tot het welbevinden van vaders, het verhoogt ook het welbevinden van kinderen en het is een hefboom naar stabiele en ondersteunende gezinsrelaties. Sinds 2002 wisselen allochtone papa’s ervaringen uit onder leiding van Redouane Ben Driss (psycholoog/psychotherapeut). Deze praatgroep (vadergroep) gaat door in verschillende talen en staat open voor alle papa’s en aanstaande papa’s in Brussel.

Wat is de impact van vaderbetrokkenheid op kinderen, hun gezin en hun omgeving? Welke culturele en maatschappelijke factoren beïnvloeden de opvatting van de vaderrol? Wat staat voor de vader de centraal in de opvoeding van kinderen? Verandert de vaderrol naargelang de leeftijd of het geslacht van het kind? Wat ervaar je als vader als je sterktes en waar heb je het soms moeilijk mee? Is er een verband tussen de etnisch-culturele oorsprong van de vader en de wijze waarop hij zijn rol als vader vorm geeft?

 

S25.4 Een Goed-gevoel-stoel groepswerking voor groepen patiënten van WGC MediKuregem

Hilde Diels, gezondheidspromotor, Wijkgezondheidscentrum MediKuregem, Anderlecht

Hanan Boudida, onthaalmedewerkster, Wijkgezondheidscentrum MediKuregem, Anderlecht

 

Sinds een aantal jaren tracht WGC MediKuregem de veerkracht van kwetsbare patiënten te versterken via groepssessies. De door CEDES en ViGEZ uitgewerkte methodiek Goed-gevoel-stoel, blijkt daarvoor heel geschikt. Ze is op maat van de doelgroep, en de structuur en het materiaal zijn volledig uitgewerkt. Tijdens vier sessies krijgen deelnemers zo meer zicht op hun draaglast maar ook op hun draagkracht. Ze worden bewust dat ze die kunnen beïnvloeden. Er worden ook stappen gezet om dat samen daadwerkelijk te doen.

Naast en naar aanleiding van deze sessies, is er een open terugkomgroep ontstaan in MediKuregem. Maandelijkse komt een groep patiënten samen om verder te werken aan het verhogen van hun draagkracht. De dynamiek van deze groep is voor verschillende deelnemers van grote betekenis in het omgaan met zorgen in hun dagelijkse bestaan.

Tijdens deze bijdrage tonen we kort wat de methodiek inhoudt, maar vooral hoe we deze in de werking van een WGC inbouwen: hoe we een groep vormen van patiënten, hoewel we hen voorbereiden, welke stappen achteraf worden gezet, hoe de wisselwerking tussen de verschillende disciplines verloopt, …


woensdag 17 september 2014 11u15-12u45

S26 Werken aan een kwaliteitsvolle ggz: een gezamenlijke opdracht

voorzitter Peter Cosemans

 

S26.0 Inleiding

Peter Cosemans, staflid, ICURO, Brussel / lid QIP-bureau

 

De WHO toont aan in haar recente rapporten The European Mental Health Action Plan (2013) en Successes and Failures of Health Policy in Europe (2013) dat psychische stoornissen de tweede grootste oorzaak zijn van het aantal verloren gezonde levensjaren, uitgedrukt in Disability Adjusted Life Years (DALY). Daarnaast zijn psychische stoornissen veruit de belangrijkste chronische aandoeningen in Europa (WHO, 2013). Omwille van de grote impact van psychische stoornissen zowel op het persoonlijk leven als voor de maatschappij, is de toegankelijkheid tot de ggz-voorzieningen als kwaliteitsvolle zorgverlening bijzonder groot.

In 2013 is ook in de Vlaamse geestelijke gezondheidszorg de beweging voor het objectiveren, bewaken en verbeteren van de kwaliteit van zorg definitief van start gegaan met de oprichting van het sectorbrede Vlaams Indicatoren-project voor de ggz. Van bij de start werd expliciet de keuze gemaakt om relevante kwaliteitsindicatoren te ontwikkelen voor zowel residentiële als ambulante ggz-voorzieningen. Dit resulteerde op 18 december 2013 in een eerste set van klinisch relevante en sectorbrede kwaliteitsindicatoren. Alvorens deze eerste set in de praktijk geïmplementeerd kan worden, is het noodzakelijk om vanaf 2014 deze verder te operationaliseren en uiteindelijk te valideren.

Gelijktijdig met het indicatorenproject lijkt de beweging naar een accreditatie ook zijn ingang te vinden voor de psychiatrische ziekenhuizen. Een aantal ziekenhuizen hebben daartoe al concrete stappen ondernomen of zijn zich volop aan het informeren en/of aan het voorbereiden.

Tijdens dit symposium wordt dieper ingegaan op deze ontwikkelingen om de kwaliteit van zorg ook in de ggz-sector te objectiveren.

 

S26.1 Wat is het QIP-project?

Geert Dom, voorzitter, QIP- project Vlaamse Overheid

 

Het QIP-project ontstond uit de vraag van de Vlaamse overheid om, in navolging van een gelijkaardig project in de algemene ziekenhuizen, voor de gehele geestelijke gezondheidszorg te voorzien in breed gedragen kwaliteitsindicatoren in verschillende zorgdomeinen. Op dit ogenblik is de laatste hand gelegd aan enkele gemakkelijk bruikbare indicatoren die in de loop van het volgende jaar gevalideerd kunnen worden in de participerende ggz-voorzieningen.

 

S26.2 QIP en accrediteringsprojecten

Peter Cosemans, staflid, ICURO, Brussel


Gelijktijdig met het indicatorenproject bereiden een aantal ggz-voorzieningen een deel- of een instellingsbrede accreditatie voor. Begin 2014 heeft het UPC Kuleuven als eerste psychiatrisch ziekenhuis een JCI-accreditatie gehaald. Het psychiatrisch ziekenhuis Broeders Alexianen Tienen is zich volop aan het voorbereiden op NIAZ-accrediatie op basis van de normenset 3.0 voor de ggz-instellingen.
In deze bijdrage lichten beide psychiatrische ziekenhuizen hun accreditatietraject toe.

S26.3 Patiëntveiligheid en kwaliteit ggz

Chris Bervoets, voorzitter, ontwikkelgroep patiëntveiligheidsindicatoren QIP

 

Patiëntveiligheid en continuïteit van zorg zijn cruciale elementen in een kwaliteitsvolle zorgverlening, zeker in toenemende netwerkvorming, ambulantisering en participatie van de eerste lijn in de ggz-transformatie binnen artikel 107. In deze twee bijdragen wordt het ontwikkelproces en de constructie van specifieke indicatoren in dit domein toegelicht.

 

S26.4 Zorgcontinuïteit en kwaliteit ggz

Jurgen De Fruyt, voorzitter, ontwikkelgroep zorgcontinuïteitsindicatoren QIP

 

woensdag 17 september 2014 11u15-12u45

S27 Non-verbale therapieën in beeld in de nieuwe ggz

voorzitter Peter Joostens

 

S27.0 Inleiding

Gert Acke, therapiecoördinator, Psychiatrisch Ziekenhuis Broeders Alexianen, Tienen

Peter Joostens, psychiater, Psychiatrisch Ziekenhuis Broeders Alexianen, Tienen

 

De huidige ggz wordt gedreven door vermaatschappelijking, evidence-based handelen, outcome en kostenefficiëntie. Het is een evolutie die gunstige en kwaliteitsverbeterende effecten heeft en ons prikkelt om na te denken over de juiste inzet van onze middelen. In dit discours komen de non-verbale therapieën zoals creatieve therapie, muziektherapie, bewegingstherapie etc. wel eens in de verdrukking te staan. Er worden vragen gesteld als: Word je beter van macramé, muziek of volleybal? Zijn deze behandelingen wel evidence-based? Is er niet meer nood aan verbaal-cognitieve en medisch-psychiatrische therapievormen?

Wij willen aantonen dat er inderdaad evidence is voor het nut van non-verbale therapieën en dat deze een plaats blijven hebben in een vermaatschappelijkende ggz door vanuit de eigen kracht mee te innoveren en te evolueren.


S27.1 De kracht van bewegen

Dirk Crabbé, psychomotorische therapeut, Psychiatrisch Ziekenhuis Broeders Alexianen, Tienen

 

Er bestaat steeds meer overtuigende evidence dat goed uitgekiende lichaamsbeweging een heilzame werking heeft bij diverse ggz-problemen zoals angst en depressie, verslaving, ADHD, CVS, Alzheimer etc. Dr. John Ratey, hoogleraar psychiatrie aan de Harvard Medical School, verrichtte hier baanbrekend missiewerk. Daarnaast is uiteraard – “mens sana in corpore sano” – het effect op lichamelijke gezondheid goed gekend. In deze bijdrage staan we stil bij de beeldvorming van psychomotore therapie in de nieuwe ggz.

 

S27.2 De kracht van muziek

Nathalie Van Bogaert, muziektherapeut, Psychiatrisch Ziekenhuis Broeders Alexianen, Tienen

 

We kennen allemaal uit eigen ervaring de kracht van muziek. Toch blijft muziektherapie voor velen iets mysterieus en exotisch en doet het bij EBM-ers wel eens de wenkbrauwen fronsen. We willen met deze bijdrage de waarde van muziektherapie in de vernieuwende ggz aantonen met evidence vanuit theorie en praktijk.

 

S27.3 De kracht van creatie

Lies Van Kerschaver, arbeidstrajectbegeleider, psychiatrisch Ziekenhuis Broeders Alexianen, Tienen

 

Werken en creëren worden van oudsher beschouwd als essentiële aspecten van onze zelf-realisatie als mens en als sociaal wezen. Van de vroegere “morele therapie” uit de klassieke asilaire ggz-instituten kwam er meer en meer een evolutie naar creativiteit als therapeutische (expressieve) methodiek en werk en vrije tijd als essentiële levensdomeinen in een bio-psycho-sociale benadering.

We gaan na hoe we kunnen mee evolueren in de nieuwe ggz en welke nieuwe accenten dit teweegbrengt.

 

S27.4 Besluit en discussie

Iedereen

 

woensdag 17 september 2014 13u45-15u15

S28 De buddy als brug naar de gewone wereld

voorzitter Robin Broché

 

S28.0 Inleiding

Robin Broché, coördinator Buddywerking Vlaanderen, Gent

 

Zijn sociale contacten met vrienden en familie wel zo vanzelfsprekend? Jammer genoeg niet voor mensen met een langdurige psychische kwetsbaarheid. Buddywerking Vlaanderen wil dit sociaal isolement helpen doorbreken en koppelt hen aan een vrijwillige buddy voor een alledaags vriendschappelijk contact.

Mensen met een langdurig psychiatrisch verleden hebben vaak nog enkel contact met een lotgenoot of hulpverlener. Contacten met vrienden en zelfs familie zijn soms erg moeilijk door het langdurig psychisch ziek zijn. Vereenzaming en isolatie zijn vaak het resultaat. Iedereen heeft echter nood aan gewoon sociaal contact, iets wat vanzelfsprekend lijkt, maar voor mensen met langdurige psychische kwetsbaarheid vaak erg moeilijk is geworden.

Een buddywerking maakt perfect deel uit van deze vermaatschappelijking van de zorg waar de buddy een brug maakt met het gewone, dagdagelijkse leven, in de omgeving van de deelnemer zelf. Een buddywerking koppelt iemand met een langdurige psychische kwetsbaarheid ('deelnemer') aan een vrijwilliger ('buddy'). Ze ontmoeten elkaar voor een babbel, gaan wandelen, fietsen, naar de film... Buddy’s zijn met andere woorden voor hun deelnemer een brug naar de buitenwereld.

Buddywerking Vlaanderen overkoepelt alle regionale buddywerkingen in Vlaanderen en Brussel en brengt reeds 280 duo’s samen. In elke regionale buddywerking staat samenwerking en het creëren van een algemeen draagvlak centraal. Hierbij wordt een netwerk gevormd met organisaties als IBW, PAAZ, PZT, CAW, Ziekenzorg CM, De Vrijwilligersservice van De Voorzorg etc.

De taboedoorbreking rond mensen met een psychische kwetsbaarheid en het vinden van gemotiveerde buddy’s blijft de uitdaging voor elke buddywerking.

 

S28.1 Tevredenheidsbevraging Buddywerking Vlaanderen: een toelichting

Robin Broché, coördinator, Buddywerking Vlaanderen, Gent

 

In het kader van de omzendbrief van minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen, diende een tevredenheidsbevraging uitgevoerd te worden. Het doel van deze tevredenheidsbevraging bestond erin dat werd nagegaan, middels een vragenlijst, welke mate van tevredenheid deelnemers, wachtende deelnemers en buddy’s toekenden aan de werking van Buddywerking Vlaanderen.

Ter uitvoering van deze tevredenheidsbevraging werd samengewerkt met twee bachelor studentes toegepaste psychologie van het KATHO te Kortrijk, dit overheen twee opeenvolgende schooljaren. Waar de eerste studente de opmaak en realisatie van de vragenlijsten op zich heeft genomen, neemt de tweede studente in het huidige schooljaar 2013-2014 de verwerking en analyse van de resultaten op zich.

In totaal werden 873 vragenlijsten uitgestuurd in Vlaanderen en Brussel, waarvan 256 naar deelnemers, 332 naar wachtende deelnemers en 285 naar buddy’s. Hiervan werden 361 vragenlijsten terug gestuurd naar de studente, die de verwerking en analyse van de resultaten uitvoert.

De resultaten worden toegelicht, met daaraan gekoppeld enkele conclusies.

 

S28.2 Getuigenis van een duo: ervaringen in de praktijk

Duo van deelnemer en buddy

 

Een duo brengt een getuigenis van hun ervaringen.

 

S28.3 De verhouding van buddymedewerkers met (hun doelgroep) deelnemers en vrijwilligers

Liesbet D'Haeseleer, buddymedewerker Buddywerking Vlaanderen regio Gent

 

Buddywerking Vlaanderen opteert bewust voor een vrijwilligerswerking vanuit de overtuiging dat mensen met psychische problemen naast professionele zorg ook nood hebben aan vriendschappelijk en ‘gewoon’ sociaal contact. Centraal staat het besef dat mensen een fundamentele behoefte hebben aan contact, binnen een natuurlijk sociaal netwerk en dat bij mensen met een psychische kwetsbaarheid juist een tekort hieraan hen mogelijk terugvoert naar de professionele hulpverlening.

Mensen met een psychische kwetsbaarheid komen vaak in eenzaamheid terecht, waarbij we twee soorten kunnen onderscheiden, namelijk een emotionele en sociale eenzaamheid. Het aanbieden van vriendschappelijk contact en informele steun - daar waar sociale contacten niet of onvoldoende aanwezig zijn - ligt binnen de mogelijkheden van een vrijwilliger meer dan van een professionele hulpverlener. Op deze manier kan de buddy een antwoord bieden op sociale eenzaamheid. De buddy treedt in deze context op als mantelzorger, aanvullend op de professionele hulpverlening. De vrijwilliger maakt aldus deel uit van een ‘natuurlijk’ hulpsysteem. Deelnemers kunnen zo de verbroken verbinding opnieuw herstellen met anderen, de samenleving en niet onbelangrijk… ook met zichzelf.

Door het samenbrengen van de ‘gewone’ wereld met die van de deelnemer, wil Buddywerking Vlaanderen taboedoorbrekend werken t.a.v. mensen met een psychische kwetsbaarheid.

Vanuit hun positie als ondersteuner en begeleider van duo’s zijn buddymedewerkers perfect geplaatst zich een oordeel te kunnen vormen over de visie van deelnemers op buddywerking. Verder hebben zij ook een concreet zicht op de meerwaarde en positieve neveneffecten die een buddywerking genereert, en dit binnen een context van een veranderend landschap binnen de geestelijke gezondheidszorg.

 

S28.4 Aandacht onder druk!

Ijsbrand van der Krieke, regioadviseur, Mezzo, Landelijke Vereniging voor Mantelzorgers en Vrijwilligerszorg, Bunnik

 

In het neoliberale klimaat van de Nederlandse politiek staat onder de druk van bezuinigingen de aandacht voor elkaar al weer een paar jaar op de politieke agenda. De bemoeienis van de staat gaat verder dan wat we moeten (regelgeving): we moeten het ook zelf wíllen (regie). De autonome burger moet een affectieve burger worden (Thomas Kampen, e.a).

Buddyzorg en Vriendendiensten staan onder druk van de gemeenten. De ambulante zorg wordt een verantwoordelijkheid van de gemeenten. Met als gevolg dat een veelal regionaal georganiseerde werksoort gereduceerd wordt tot een taak van een professional met weinig uren binnen een lokale welzijnsorganisatie.

Buddy’s en maatjes ervaren zelf ook druk. Ze voelen de vaak onuitgesproken druk dat aandacht alleen niet genoeg is. Ze voelen de druk die professionals voelen, in wie de stem van hun subsidiegever(s) als een mantra weerklinkt:.. en wat heeft de aandacht opgeleverd?! Het is de grote verdienste van prof. dr. Andries Baart geweest die aandacht een wetenschappelijke naam gegeven heeft: presentie . Aan de orde komt Buddyzorg en Vriendendiensten tussen presentie en interventie, prestatie en betekenis en tussen rekenen en (mee)tellen (logos).

Referenties

van Kampen, T., e.a. (red) (2013). De affectieve burger. Hoe de overheid verleidt en verplicht tot zorgzaamheid. Amsterdam, van Gennep

Baart, A. (2001). Een theorie van de presentie. Den Haag, Lemma

 

woensdag 17 september 2014 13u45-15u15

S29 Samenwerkingsverbanden tussen zorg en werk: enkele voorbeelden uit de provincie Vlaams-Brabant

voorzitter Guido Pieters

 

S29.0 Inleiding

Guido Pieters, netwerkcoördinator art 107, UPC KU Leuven, campus Kortenberg

 

Binnen de grootschalige hervormingen in de geestelijke gezondheidszorg dient werk een plaats te krijgen en worden er bruggen gebouwd met werkactoren. Twee verschillende werelden ontmoeten elkaar, leren elkaars expertise kennen en waarderen. Zo ontstaan er innovatieve en boeiende samenwerkingsverbanden.

 

S29.1 Waarom is samenwerken belangrijk?

Lut Gailly, expert doelgroep MMPP, VDAB, Brussel

Luc Henau, algemeen directeur, Dienst voor gespecialiseerde trajectbepaling en -begeleiding GTB, Gent

 

De VDAB heeft een duidelijker beeld gekregen van de werkzoekenden met zogenaamde niet-arbeidsmarktgerelateerde problemen. Het gaat om problemen allerhande die op zich niets met de arbeidsmarkt of met de positie van deze werkzoekenden op de arbeidsmarkt te maken hebben maar die de inschakeling van deze werkzoekenden bemoeilijkt of zelfs verhindert.

Een relatief grote subgroep van deze werkzoekenden met niet-arbeidsmarktgerelateerde problemen kampt met ernstige medische, mentale, psychische en/of psychiatrische problemen (MMPP-problemen), al dan niet in combinatie met sociale problemen.

Om deze werkzoekenden op een kwalitatieve manier te kunnen begeleiden, moeten schotten tussen beleidsdomeinen verdwijnen. Organisaties moeten de handen in elkaar slaan en samen hetzelfde doel nastreven: personen met een psychische kwetsbaarheid en multipele problemen begeleiden naar een geschikte job. Daarvoor is een geïntegreerd actieplan nodig, dat interventies vanuit verschillende expertises coördineert.

Eind 2009 ondertekenden de ziekenfondsen, VDAB en GTB een intentieverklaring voor een betere samenwerking. Het doel was en is duidelijk: ook mensen die een ziekteproces doormaken, hebben het recht om hun kansen op werk te behouden of verder te ontwikkelen.

Maar we willen nog meer doen, omdat ervaringen ons leren dat intersectorale samenwerking rond arbeidsrehabilitatie werkt en loont. Mensen zijn gelukkiger als ze aan het werk gaan en de kost voor de samenleving (medische uitgaven en uitkeringen) neemt af. En tot slot, de ratificatie van het VN-verdrag (artikel 23 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: iedereen heeft het recht op arbeid, op de vrije keuze van een beroep, op rechtmatige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid) verplicht ons tot deze inspanningen.

 

S29.2 Tender activerende zorgbegeleiding: een steeds meer geïntegreerde samenwerking

Mieke Vermeulen, zorgcoördinator TAZ, UPC KU Leuven, campus Kortenberg

 

De tender activerende zorgbegeleiding is een activerende trajectbegeleiding op maat van de werkzoekende met medische, mentale, psychische en psychiatrische problemen. De meerwaarde van deze activerende zorgbegeleiding situeert zich vooral in de systematische wijze waarop drie partners, partner zorg, partner empowerment en partner GTB, uit verschillende sectoren samenwerken met en rond de cliënt.

Deze achttienmaandendurende zorgbegeleiding kadert in een herstelgerichte zorg. Een zorg die bijdraagt aan de kwaliteit van het leven en burgerschap. Het is gericht op het verminderen van het lijden en het vergroten van de eigen regie en autonomie van de cliënt. Het verwerken van het gebeuren, het leren omgaan met de kwetsbaarheden en zich opnieuw leren oriënteren op het heden en de toekomst staat centraal. Werk speelt hierin een belangrijke rol.

In Vlaams-Brabant worden minstens 160 trajecten per jaar begeleid. Naast de begeleiding dienen cliënten georiënteerd en voorbereid te worden op het samen geadviseerde vervolgtraject. Dit gebeurt aan de hand van individuele consultaties, psychodiagnostisch onderzoek indien nodig en het aanbod van verschillende groepsmodules. Naast de zorgbegeleiding door de partner zorg focust de partner empowerment zich op het in kaart brengen van verschillende drempels. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor het zoeken en organiseren van een stage op maat van de cliënt. GTB houdt het overzicht van het verloop van de trajecten en stuurt mee aan. Tijdens de begeleiding vindt er op verschillende sleutelmomenten overleg tussen de partners, samen met de cliënt, plaats.

 

S29.3 Werk Werkt!

Toon Derison, coördinator VDIP, CGG Ahasverus, Grimbergen

 

"Werk Werkt! is een project in Halle - Vilvoorde waarbij een team van begeleiders uit zorg (hulpverleners van het cgg) en werk (trajectbegeleiders, jobcoachen) klaarstaat om mensen op weg te helpen naar een job of opleiding die men leuk vindt.

De uitgangspunten zijn:

  • het hebben van een normale job of opleiding geeft voldoening
  • het is niet altijd gemakkelijk om dit te bereiken als je last hebt van symptomen
  • wanneer we samen nadenken komen we soms sneller tot oplossingen

Het WERK WERKT!-model (Knaeps, De Smet, Van Audenhove, 2013) houdt rekening met alle principes van Supported Employment én ondersteunt een nieuwe manier van intersectorale samenwerking.

Het project is een samenwerking tussen verschillende organisaties:

  • Werk: VDAB, GTB, Job-link…
  • Welzijn: CGG Ahasverus / VDIP
  • Onderwijs: KU Leuven
  • Wetenschap: LUCAS KU Leuven
  • Ondersteunende partner: ESF

 

S29.4 Samenwerking binnen art 107: arbeidcoaching binnen het psycho-sociaal revalidatiecentrum

Bram Grené, coördinator psycho-sociaal revalidatiecentrum, vzw Walden, Leuven

 

Bij de start van het zorgvernieuwingsproject artikel 107 zorgregio Leuven-Tervuren werden verschillende werkactoren uitgenodigd deel te nemen aan de intersectorale fora. Er werd beoogd de samenwerking tussen de verschillende betrokken actoren die een cliënt tegen komt op een traject naar tewerkstelling beter op elkaar af te stemmen. Voornamelijk binnen functie 3 werd vanuit verschillende werkgroepen gestreefd naar een functionele verhouding tussen beide sectoren. Samen met de verschuivingen binnen de ggz was er de W-kwadraatnota die het leven zag.

De invulling van de arbeidscoaching binnen de recent opgerichte psychosociale revalidatiecentra is een uitstekend voorbeeld van de steeds nauwere samenwerking tussen beide sectoren. Bij de opstart van het centrum werd geopteerd om van de functie arbeidscoach een duofunctie te maken. Deze functie wordt enerzijds opgenomen door een jobcoach vanuit een activeringsdienst van een IBW en anderzijds een jobcoach van GTB. Samen wordt er proactief geëxperimenteerd met het ICF en de participatieladder. Voor de cliënt betekent dit een gewaarborgde continuïteit ongeacht statuut of mogelijke terugval. Wat betreft methodiek wordt er tevens geopteerd om groepsmodulair te werken met specifieke aandacht voor de herstelgedachte. Nieuwe vormen van interactie en ondersteuning zoals een jobcafé worden beoogd.

Daarnaast is er binnen de zorgregio Leuven-Tervuren een permanente bekommernis om de activering van de doelgroep naar alle mogelijke vormen van arbeid, terwijl de arbeidscoaching van het revalidatiecentrum zich primair richt op betaalde arbeid. De aloude methodiek van supported employement wordt gehanteerd om aanknooppunten te vinden bij het reguliere circuit tijdens training en structurele dagbesteding.

 

woensdag 17 september 2014 13u45-15u15

S30 Alternatieve behandeltargets, Beyond psychosis

voorzitter Manuel Morrens

 

S30.0 Inleiding

Manuel Morrens, psychiater, docent, onderzoeker, PC Broeders Alexianen, Boechout / CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Schizofrenie is een aandoening gekenmerkt door positieve en negatieve symptomen maar ook door een aantasting van het cognitieve en psychomotorische functioneren. Daar waar onze huidige farmacologische behandelopties vooral een modulerend effect hebben op de dopaminerge neurotransmissie en bijgevolg vooral een effect hebben op positieve symptomen, hebben zij weinig of geen impact op de andere symptoomclusters, hoewel het vooral de cognitieve en psychomotorische symptomen zijn die bepalend zijn voor de klinische en functionele uitkomst van de patiënt. Dit heeft geleid tot een ware verschuiving in het onderzoeksveld en deze is nu vooral gericht op het zoeken naar nieuwe behandeltargets en het ontwikkelen van nieuwe farmacologische interventies voorbij de psychotische symptomen.

 

S30.1 Cognitieve symptomen als behandeltarget bij schizofrenie: waar staan we?

Manuel Morrens, psychiater, docent, onderzoeker, PC Broeders Alexianen, Boechout / CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Cognitieve symptomen zijn kernsymptomen van schizofrenie en kenmerken zich door aantasting van functies als aandacht, leren en geheugen, executieve functies en informatieverwerkingssnelheid. Onderzoek toont aan dat vooral deze symptomen een voorspellende waarde hebben naar het algemeen functioneren van de schizofrene patiënt toe. Desalniettemin hebben we hedendaags weinig farmacologische behandelstrategieën voorhanden om deze symptomen adequaat aan te pakken. Meerdere neurotransmissiesystemen, waaronder het nicotinerge systeem, werden naar voren geschoven als potentiële behandeldoelen om deze cognitieve defecten te verbeteren.

Een overzicht wordt gegeven van de stand van zaken van het onderzoek hiernaar, met aandacht voor een gerandomiseerde placebo-gecontroleerde studie naar de effecten van nicotine op cognitie bij rokende en niet-rokende patiënten met schizofrenie die binnen onze onderzoeksgroep uitgevoerd werd.

 

S30.2 Farmacologische voorkeursbehandelingen in acute agitatie bij Vlaamse psychiaters en spoedartsen

Chris Bervoets, psychiater, stagemeester psychiatrie, PZ OLV Brugge / doctoraal onderzoeker CAPRI , Universiteit Antwerpen

 

Doel

Het farmacotherapeutisch beleid van acute agitatie is frequent noodzakelijk. Medicatie is belangrijk in de behandeling van dit syndroom, richtlijnen worden zelden gebruikt. Deze studie heeft een tweevoudig doel; het voorschrijfpatroon van psychiaters en spoedartsen in acute agitatie beschrijven en evalueren in welke mate richtlijnen worden gebruikt.

Methode

Een cross-sectionele survey werd in Vlaanderen uitgevoerd in 39 psychiatrische ziekenhuizen, 11 PAAZ’en en 61 spoedgevallendiensten. Alle artsen gaven ook demografische informatie naast voorkeuren van medicatie, het gebruik van richtlijnen en het type van monitoring van effectiviteit en veiligheid van de behandeling.

Resultaten

550 psychiaters en spoedartsen werden bevraagd. De antwoordratio was 20% (n=108). Antipsychotica waren de meest geprefereerde klasse (59%), gevolgd door benzodiazepines (41%). In niet-afgezonderde patiënten waren olanzapine (22%), lorazepam (21%) and clotiapine (19%) de meest geprefereerde geneesmiddelen. In afgezonderde patiënten waren clotiapine (21%), olanzapine (21%) en droperidol (15%) meest geprefereerd. Vergelijking tussen beide groepen artsen toonden dat spoedartsen significant meer voorkeur hadden voor benzodiazepines. Zuclopenthixol en olanzapine tonen ene apart profiel in beide groepen. Polyfarmacie wordt meer gebruikt in afgezonderde patiënten. Gepubliceerde richtlijnen en monitoring worden zelden gebruik.

Conclusie

Onze resultaten tonen dat de voorschrijfpraktijk in Vlaanderen in acute agitatie een complexe relatie toont met de gepubliceerde richtlijnen. Voorkeuren zijn bovendien verschillend voor beide medische specialisten. Deze bevindingen moeten in rekening gebracht worden bij klinisch onderzoek naar de kwaliteit van de behandeling van agitatie.

 

S30.3 Onderzoek naar impliciet leervermogen bij ouderen en schizofreniepatiënten

Claudia Cornelis, doctoraal onderzoekster, ASO volwassenenpsychiatrie, CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Er wordt verondersteld dat zowel bij het normale verouderingsproces als bij schizofrenie de geheugenfunctie afneemt, als ook het vermogen om aandacht te houden bij het uitvoeren van taken ten opzichte van jonge, gezonde personen. Leren wordt gekenmerkt door een geleidelijke verbetering van de prestaties door middel van oefenen, maar ook door een behoud van hetgeen aangeleerd werd. Er wordt aangenomen dat er twee vormen van leren zijn: expliciet en impliciet leren. Bij expliciet leren wordt bewust informatie opgeslagen (woorden van buiten leren) terwijl met impliciet leren onbewuste vaardigheden, gewoontes enzovoort worden bedoeld (het vangen van een bal). Het is al uitgebreid aangetoond dat er bij patiënten met schizofrenie deficits zijn in het expliciet leren. De literatuur rond impliciet leren is echter veel kleiner en minder eenduidig.

Deze studie werd uitgevoerd om beter te begrijpen op welke manier ouderen en patiënten met schizofrenie nieuwe informatie aanleren ten opzichte van jonge, gezonde proefpersonen. Een betere oppuntstelling van deze deficits kan helpen om de individuele behandeling van de cognitieve symptomen van schizofrenie te optimaliseren.

Een exploratieve, niet-interventionele studie werd uitgevoerd bij 30 schizofreniepatiënten (18-55 jaar), 30 jongere (18-55 jaar) en 30 oudere (65-85 jaar) controlevrijwilligers waarbij op verschillende tijdstippen een uitgebreide cognitieve en motorische testbatterij werd afgenomen.

De resultaten van deze studie worden toegelicht en aangevuld met de huidige kennis op vlak van leervermogen en cognitie bij schizofrenie en normale veroudering.

 

S30.4 Het psychomotorisch syndroom bij schizofrenie

Lise Docx, doctoraal onderzoeker, CAPRI, Universiteit Antwerpen

 

Patiënten met schizofrenie vertonen vaak ernstige tekorten in hun psychomotorisch functioneren wat zich uit in symptomen als katatonie, motorische neurological soft signs, extrapyramidale symptomen, psychomotorische vertraging en psychomotorische armoede. Hoewel deze symptomen vaak in verband worden gebracht met het gebruik van antipsychotische medicatie, tonen gegevens uit (inter)nationaal onderzoek duidelijk aan dat ze intrinsiek deel uitmaken van de schizofrenie-ontwikkelingsstoornis. Daarenboven blijkt de ernst van deze symptomen voorspellend te zijn voor zowel de klinische als de functionele uitkomst van patiënten.

Desalniettemin blijft onderzoek naar afwijkingen in de psychomotoriek van patiënten met schizofrenie – zowel in de kliniek als in de academische wereld – eerder uitzondering dan regel en zijn de therapeutische mogelijkheden tot op heden ontoereikend.

In deze bijdrage wordt het belang van adequate diagnostiek en behandeling van het psychomotorisch syndroom onder de aandacht gebracht worden. Hierbij wordt vooral gefocust  op recente bevindingen uit onderzoek naar het psychomotorisch functioneren van Vlaamse schizofrenie-patiënten. Er wordt ingegaan op de onderlinge samenhang van deze symptomen, hun longitudinale verloop en hun relatie met afwijkingen in de witte hersenstof.

 

woensdag 17 september 2014 13u45-15u15

S31 Een psychoanalytische blik op de therapeutische relatie

voorzitter Lili Philippe

 

S31.0 Inleiding

Lili Philippe, privé-praktijk, VVPT, Hamont-Achel

 

Het doel van psychoanalytisch luisteren is een specifieke methode inzetten om de (onbewuste) zelfkennis van de patiënt - wie ben ik? - te vergroten zodat zijn interne vrijheid toeneemt.

Hiervoor hebben we verschillende technieken waar we er in dit symposium enkele van belichten.

We focussen ons  voornamelijk op de zelfpsychologie en de hedendaagse objectrelationele theorieën omdat deze laatste werken vanuit een systematische interpretatie van de overdracht. De vraag “wie ben ik voor u?” komt dus in de psychoanalytische setting voortdurend aan bod.

In dit symposium bekijken we onder andere hoe het objectrelationeel denken negatieve overdrachtsfenomenen gebruikt om moeilijkheden in de overdracht (afweer, narcistische defensies, idealisatie, wantrouwen,…) productief te maken voor de patiënt.

Ook wordt onderzocht welke basishouding van de therapeut voorkeur geniet. Hoe denken we nu over analytische neutraliteit. Is er een plaats voor authenticiteit?

Hierbij benadrukken we het belang van het niet-begrijpen als een preconditie voor begrijpen. Een psychoanalytisch luisteren houdt in dat het zich als therapeut “verloren voelen”, “niet begrijpen”, “machteloos zijn” een belangrijk aspect van de therapeutische interactie is. Welke is de plaats van transparantie en congruentie in een psychoanalytische setting?

 

S31.1 Authenticiteit in psychoanalytisch perspectief

Marc Hebbrecht, psychiater, psychoanalyticus, psychoanalytisch psychotherapeut, Sint-Truiden en Kortenberg

 

Er wordt ingegaan op een psychoanalytische definitie van het concept dat geïllustreerd wordt met een casus van een psychoanalytische therapie. De analyse van muzikale reverieën die opduiken in de beleving van de therapeut tijdens een stagnerende fase van de therapie, kan leiden tot een meer authentieke houding bij de therapeut en zo een deblokkering van het therapeutisch proces tot stand brengen. Tenslotte wordt de vraag beantwoord aan welke voorwaarden een authentieke therapeut best voldoet.

 

S31.2 De psychoanalytische technische neutraliteit

Lili Philippe, privé-praktijk, VVPT, Hamont-Achel

 

Vanuit een drie-persoons-model van de therapie: de derde in de therapeutische setting als bewaker van de “objectiviteit”.

Aan de hand van casuïstiek wordt het belang van een psychoanalytische technische neutraliteit aangetoond. Niet enkel de overdrachtsanalyse, maar zeker ook het inzetten van de tegenoverdracht (al de emotionele reacties van de therapeut op zijn patiënt) bij de interpretatie van de overdracht met een scherpe focus op de “enactments” in het hier en nu van de therapie maakt “objectiviteit” noodzakelijk.

 

S31.3 Overdrachtsgerichte psychoanalytische behandelingen in de groep

Annie Vandevijver, privé-praktijk, lesgever RINO, Genk

 

Het werken met een groep binnen een psychoanalytisch kader biedt het voordeel dat de overdrachten van problematische zelf- en objectrepresentaties zeer snel zichtbaar worden in het hier en nu van de interacties in de groep. Voorwaarde om deze groepsdynamiek therapeutisch te kunnen aanwenden is de neutraliteit van de groepstherapeut en zijn continue focus op het zichtbaar maken van deze groepsdynamiek en het verband met de persoonlijke dynamiek van elk groepslid. Dit bevordert het metadenken over zichzelf en de ander en stimuleert het in-vivo experimenteren met nieuwe wijzen van omgaan met de ander. Illustratie met enkele concrete vignetten.

 

S31.4 Een psychoanalytische bijdrage aan het behandelen van plegers van seksuele misdrijven

Bart Duron, behandelaar van daders, CGG Vagga, Antwerpen

 

Internet heeft pornografie gemakkelijker beschikbaar gemaakt. Zo ook kinderporno. "Childporn is only two clicks away". Pedocyberseksualiteit is een hedendaagse uitingsvorm van seksueel delict.

Wat is het eigene aan pedoseksualiteit op het internet? Welke bijdrage kan de psychoanalyse leveren aan het behandelen van dergelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag op het web? Een psychoanalytische blik op de therapeutische relatie met plegers.

 

woensdag 17 september 2014 13u45-15u15

S32 Bewegen en de geestelijke gezondheid

voorzitter Michel Probst

 

S32.0 Inleiding

Michel Probst, professor, Departement Revalidatiewetenschappen, KU Leuven

 

Sinds 2005 is de aandacht voor bewegen binnen de geestelijke gezondheidszorg enorm toegenomen. Vandaag mag zelfs worden gesteld dat naast psychofarmaca en psychotherapie beweging in al zijn aspecten een derde luik is in de behandeling van patiënten met lichte, milde maar ook ernstige mentale problemen en dit zowel in de eerste, de tweede als de derdelijnsgezondheidszorg.

 

S32.1 Noodondersteunend coachen in functie van een actievere levensstijl

Filip Boen, professor, Departement Bewegingswetenschappen, KU Leuven

 

Regelmatige fysiek actief zijn maakt ten volle deel uit van een gezonde levensstijl. Positieve effecten van regelmatige fysieke activiteit zijn reeds aangetoond op psychosociaal en fysiek vlak. Heel wat mensen geraken er echter niet toe om voldoende te bewegen. Dit geldt eveneens voor personen met psychische problemen.

In deze sessie wordt aangetoond hoe je mensen kan motiveren om meer te bewegen en om in beweging te blijven. Belangrijk hierbij is het verhogen van de kwaliteit van motivatie. Niet elke vorm van motivatie is immers goed om ook op langere termijn fysiek actief te blijven. Er worden in deze sessie tips aangereikt die kunnen helpen in het noodondersteunend coachen.

 

S32.2 Het beweegproject: Stap je mee? (Psylos)

Sanne Van den Bleeken, Psylos, Leuven

 

Stap je mee? is een beweegproject van Psylos i.s.m. de KU Leuven waarbij een wandelpakket werd ontwikkeld dat vanaf het najaar van 2013 ter beschikking wordt gesteld van de Psylosclubs. Het project biedt deelnemers gedurende 10-weken een individueel wandelprogramma op maat aan. Er wordt bovendien getracht om minstens één maal per week met de ganse groep te wandelen.

De organisatie, promotie en het coachen van de deelnemers van het wandelprogramma wordt de verantwoordelijkheid van het Stap je mee?-team dat bestaat uit een professional en twee cliënten uit de deelnemende ggz-setting. Door de zin in het wandelen aan te wakkeren beoogt men deelnemers aanzetten tot een gezonde(re) levensstijl.

In deze sessie worden de ervaringen van zowel deelnemers als begeleiders rond Stap je mee? toegelicht. Bovendien worden de preliminaire resultaten van het wetenschappelijk onderzoek getoond waarin werd nagegaan wat het effect is van deelname aan het programma op de fysieke en mentale gezondheid, dit zowel op korte als lange termijn.

 

S32.3 Cross-sectioneel onderzoek naar het belang van omgevingsfactoren op de fysieke activiteit van personen met schizofrenie: een multi-centrische studie

Koen Vandenbossche, Msc, Departement Revalidatiewetenschappen, KU Leuven

 

Deze studie toonde aan dat wandelen en fysieke activiteit van matige en zware intensiteit significant gerelateerd waren met demografische en omgevingsvariabelen. Deze bevindingen bevestigen de sociaal economische theorie die stelt dat fysieke activiteit beïnvloed wordt door intrapersoonlijke, interpersoonlijke en omgevingsvariabelen. De omgeving speelt dus effectief een rol in het beweeggedrag van de patiënten met schizofrenie. Er moet dus meer aandacht gaan naar de patiënt in zijn concrete omgeving (veiligheid en emotionele tevredenheid met de omgeving).

 

S32.4 Fysieke activiteit, energieverbruik en sedentair gedrag bij jongvolwassenen met eerste psychose: een gecontroleerde pilotstudie

Amber De Herdt, FWO-aspirant, Departement Revalidatiewetenschappen, KU Leuven

 

Een gebrek aan lichamelijke activiteit (LA) en een sedentair gedrag (SB) zijn kenmerken van chronische schizofrenie en werden uitgebreid bestudeerd. Over de fysieke activiteit en het sedentair gedrag in het begin van psychose, zijn echter weinig studies beschikbaar. Het doel van deze studie was om LA-niveau, actieve energie-expenditure (AEE) en graad van SB te evalueren bij 50 individuen met een eerste psychose en bij 50 op leeftijd-geslacht-BMI gematchte gezonde controlepersonen.